Opleiding: Verpleegkunde jaar 3:
minor IKZ
Stof: uitgewerkte leerdoelen en
studievragen
1
,Onderdeel 1: Ademhaling
Doelen De student kan:
1. De anatomie en fysiologie van de tractus respiratorius beschrijven en
toelichten.
De tractus respiratoirus begint in de neus. Vervolgens de farynx, larynx, trachea,
bronciën en alveoli. De buizen zijn bekleed met epitheel (cilinder). De bronchiolen
vertakken en bronchioli. Deze eindigen in alveoli. Hier vindt diffusie plaats.
Tussen de pleurabladen zit vocht voor smering van de adembeweging.
2. De klinische beelden van de ademhaling beschrijven en toelichten. (zie
opdrachten hier beneden)
3. De processen van de ademhaling en de problemen die daarbij kunnen
optreden beschrijven.
Lucht wordt ingeademd (ventilatie). Deze lucht komt langs de alveoli. Hier vindt
diffusie plaats (deeltjes gaan van veel> weinig deeltjes). Ook is perfusie (normale
bloed toestroom) belangrijk.
4. De verschijnselen van hypoxie, hypoxemie, hypercapnie en hypocapnie
herkennen.
Hypoxie (deel lichaam wordt niet voldoende van O2 voorzien): cyanose,
afsterven, koude extremiteiten, vertraagde cap refill.
Hypoxemie (tekort aan O2 in het bloed): centrale cyanose, hogere
hersenfuncties (slaperig, sufheid, bewusteloosheid). Hogere pols, transpireren,
hoofdpijn (door de hypercapnie stijgt cerebrale vaatverwijding), cyanose, onrust.
Hypercapnie (teveel CO2): hoge AF, hoge AF, hoge RR, zweten, hoofdpijn,
euforie, agitatie, desoriëntatie.
Hypocapnie (te weinig CO2): hoge AF, hoge HF, hoge RR, perifere
vasoconstrictie, duizeligheid, paniekerig.
5. De definitie van respiratoire insufficiëntie verwoorden, en kan de verschillende
typen respiratoire insufficiëntie met hun oorzaken onderscheiden.: zie vragen
hieronder
6. De oorzaken en (alarm)symptomen van acute respiratoire insufficiëntie
noemen, herkennen en adequaat reageren. : zie vragen hieronder
7. Bloedgaswaarden beoordelen.
pH: 7,35-7,45
pCO2: 4,6-6,0 kPa (35-45 mmHg)
pO2: 9,5-13,5 kPa (70-100 mmHg)
HCO3-: 21-27 mmol/l
Saturatie: >96%
Base overschot (BE): -3 +3
>> pH, pCO2, HCO3- en BE geven info over zuur basenevenwicht.
>> PaCO2 geeft info over alveolaire ventilatie
>> PaO2 en SaO2 geven info over oxygenatie
CO2 + H2O <> H2CO3 <> H+ + HCO3-
Longen Nieren
2
,8. De oorzaken en de verschijnselen van stoornissen in het zuur/base-evenwicht
noemen en verklaren.
Respiratoire acidose: door opiaten, hersenletsel, circulatiestilstand,
spierzwakte, COPD, aspiratie, pneumonie, ARDS. Afname pH en toename
pCO2
- Verschijnselen: hoofdpijn slaperigheid
Respiratoire alkalose: door hyperventilatie, beginnend sepsis. Toename pH
en afname pCO2
- Verschijnselen: licht gevoel hoofd, spierkrampen, prikkelend gevoel
armen, kramp in hand.
Metabole alkalose: door verlies basen door braken, retentie HCO3- (diuretica).
Toename pH en toename HCO3-
- Verschijnselen: misselijkheid, prikkeling perifeer/centrale zenuwstelsel,
spierzwakte.
Metabole acidose: door lactaatvorming bij shock, verlies bicarbonaat bij
nierinsuff, DM
- Verschijnselen: misselijk, Kussmaul, RR daling, demping CZS.
Opdrachten/ Vragen:
1. Oefenen met bloedgassen Interpreteer de bloedgassen. Wat is hier aan de
hand?
a. pH: 7.25 PaC02: 8.6 Pa02: 7.3 HC03-: 25
pH= te laag (acidose)
PaCO2= te hoog (respiratoire acidose)
PaO2= te laag
HCO3-= normaal
Dus respiratoir acidose zonder compensatie
b. pH: 7.37 PaC02: 8.8 Pa02: 9 HC03-: 36
pH= normaal
PaCO2= verhoogd (respiratoire acidose)
HCO3-= verhoogd (metabole alkalose)
>> respiratoire acidose en metabole alkalose heffen elkaar op!
c. pH: 7.47 PaC02: 6.5 Pa02: 9.8 HC03-: 32
pH= verhoogd (alkalose)
PaCO2= iets verhoogd (respiratoire acidose)
HCO3-= te hoog (metabole alkalose)
Metabole alkalose met respiratoire compensatie!
Normaal:
pCO2 4,6-6,0 kPa (35-45 mmHg)
3
, pO2 9,5 - 13,5 kPa (70-100 mmHg)
Bicarbonaat (HCO3-) 21 - 27 mmol/l
2. Welke klinische beelden worden onderscheiden bij de ademhaling?
- Normaal
- Respiratoir distress: versneld of moeizaam. Alleen dit ervaart de patient niet op
die manier. Dit kan voorkomen bij shock, anemie, decompensatio of metabole
acidose.
- Acute dyspnoe (kortademig, sat>95%)
- Respiratoire insuff: onvoldoende O2 opnemen en/of te weinig CO2 afgeven.
- ademstilstand: primair (veroorzaakt door oorzaak die direct stilstand geeft) of
secundair (circulatiestilstand).
3. Geef van de volgende aandoeningen aan welk proces verstoord is:
a. Guillain-Barré syndroom : zwakke thoraxspieren> ventilatieprobleem
b. Hoge dwarslaesie : prikkelgeleiding
c. ARDS : systeem aandoening
d. COPD : ventilatie; te weinig ademprikkels
e. Pneumonie : diffusie
f. Pneumothorax : ventilatie, diffusie
g. Longembolie : perfusie
4. Wat zijn de verschijnselen van hypoxie en hypercapnie?
- Hypoxie (te weinig O2 in weefsels)> hoge AF, bradypneu door uitputting,
gebruik hulpademhalingsspieren, perifere cyanose, centrale cyanose, RR hoog
maar later hypotensie, P02 <60-70 mmHg, sat <90%
- Hypercapnie (teveel CO2)> hoge AF, hoge RR, vasodilatatie, hoofdpijn, euforie,
agitatie, desoriëntatie.
5. Wat verstaat men onder respiratoire insufficiëntie?: het niet goed op kunnen
nemen van O2 of af kunnen geven van CO2.
6. Wat verstaat men onder type I, II en III respiratoire insufficiëntie en wat zijn de
oorzaken?:
- Type 1 (partiële resp insuff): sprake van oxygenatiestoornis. pO2< 8 kPa.
pCO2 is normaal
Oorzaken: een verstoorde V/Q verhouding (ventilatie/perfusie>>
pneumonie, longoedeem) ,atelectase, diffusiestoornis (interstitiële
longaandoening), ventrikelseptumdeffect.
- Type 2 (totale): gestoorde ademspierpompfunctie. pCO2> 6,7 kPa. pO2 <
60 mmHg.
4