Projectief toekomstbeeld: De toekomst is de verlenging van de lijn uit het verleden tot nu toe. Het
handelen verandert niet tot nauwelijks. Projecteert vanuit het verleden.
Prospectief toekomstbeeld: Het bedenken van een wenselijke toekomst. Er komt meer sturing bij
kijken. Projecteert naar de toekomst.
Motto van het ruimtelijke ordening: huidig ruimtelijk handelen in een toekomstperspectief.
Incrementeel = passief omgaan met veranderingen in de samenleving (VS en VK).
In de hoogconjuctuur zijn de planologische taken voornamelijk bouwen. In een laagconjuctuur ben je
vooral aan het herstructureren.
“Witte olifanten” zijn planningsfouten. Objecten die niet aan hun recht toe komen.
Planologie = Toekomst (verkenning) – Ontwerp (object) (plan + keuze) – Sturing (proces) (acties)
binnen een bepaalde context (bijv. tijdens een hoogconjuctuur of een laagconjuctuur).
Om doelen te bereiken (te sturen) worden instrumenten ingezet:
- Klassiek: de zweep/zwaard bijv. regels en wetgeving
- Modern: de peen bijv. subsidies
- Post-modern: de preek bijv. het doorvoeren van een visie door argumentatie en overtuigingskracht
Sectorbeleid = beleidsvoorbereiding beleidsvorming en beleidsuitvoering gebeurt in dezelfde sector.
Sectorbeleid is krachtiger, want hier zit meer geld in.
Facetbeleid = het facet ‘ruimtelijke ordening’ doet de coördinatie van alle beleidsvorming.
Betekenis sector en facetbeleid:
- Analytisch denkschema
- Ruimtelijke ordening als coördinerende activiteit
- Macht (geld) en ruimtelijke ordening
- Verklaringskader voor het streven naar draagvlak
Verticale coördinatie tussen: gemeente – rijk.
Wie heeft daar de macht? Horizontale coördinatie: sector – facet.
De gemeenten zijn de enige die bevoegd zijn om een bestemmingsplan op te stellen. Het Rijk heeft
theoretisch gezien de macht, maar eigenlijk zijn het de gemeenten.
Het klassieke planningsschema
Rijksoverheid: lange termijn planning – strategische planning
Provincies: middellange termijn planning – tactische planning
gemeenten: korte termijn planning – operationele planning
In Utrecht hanteren wij een mengkraanmodel: naast de theoretische modules is er in elk studiejaar
een module met een vertaling (ateliers).
Hoofdstuk 2 - Ruimtelijke ordening in Nederland: de
beleidshistorie
, Periode 1 - 1945 - 1965
Periode 2 - 1966 - 1985
- Stedelijke problematiek
- Relatie van beleid met uitvoering van het beleid
Object
- Menselijke maat kwam vooraan te staan. Kleinschalige woonerven werden er neergezet.
Proces
- procesplanning
- inspraak en participatie
- bottom-up werd belangrijker
- flexibiliteit. Er werd meer gekeken naar de vraag van de markt
- minder centralistisch
- overheid blijft spil in ro
Beleid
- 3e nota ruimtelijke ordening
- stadsvernieuwing
- wonen in de stad moest weer aantrekkelijk worden
- compacte stadsbeleid
Periode 3 - 1985 – 2006 neoliberalisme
Context
- Trek naar de steden.
- Economische crisis ten einde. Structurele veranderingen.
- Oplopende woningtekorten.
- Privatisering (minder overheid). Post NL, KNP etc. waren vroeger allemaal in overheidshanden.
- Neoliberalisme (marktdenken).
Vraagstukken
- Herwaardering steden.
Proces
- Introductie markt in ruimtelijke ordening.
- Opener planproces.
- Oplopende competitie tussen de actoren.
- Planning als onderneming.
Beleid
- Stedelijke knooppunten.
- Mainports werden benoemd.
- Sleutelprojecten werden benoemd.
- Gespreide verstedelijking (VINEX wijken).
Periode 4 - 2006 – heden
Context
- De markt domineert.