1.1 Je hebt parate kennis over de structuur en eigenschappen van koolhydraten en verwante
verbindingen en eiwitten.
1.2 Je hebt kennis van de basischemie om de structuur en eigenschappen van macromoleculen te
kunnen beschrijven.
1.3 Je kunt advies geven over producten, rekening houdend met trends, assortimenten en
ingrediënten.
1.4 Je kunt de invloed van bereidingstechnieken en het bereidingsproces op verschillende
producten analyseren en hier advies over geven.
1.5 Je kan een hypothese opstellen, een experiment uitvoeren en de resultaten hiervan
overzichtelijk weergeven en verklaren.
Onthoudbruggetje
C=4
N=3
O=2
H=1
Atomen en de
relatie met
voeding (slide
14)
Literatuurbenamingen
- Koolhydraten (suikers): Sachariden
- Vetten: Lipiden
- Eiwitten: Proteïnen
,Verschillende soorten koolhydraten
Triviale namen (potjesnaam)
- Glucose of druivensuiker
- Fructose of vruchtensuiker
- Maltose of moutsuiker
- Sacharose of tafelsuiker
- Lactose of melksuiker
- Mannitol en xylitol: suiker- alcohol
Een molecuul in onze voeding
- Druivensuiker of glucose
- Formule: C6H12O6
, - Dus in 1 molecuul zitten 6 atomen C, 12 atomen H en 6 atomen O
- Ook te schrijven als: C6(H2O)6, lijkt zo op kool(stof) met water, vandaar koolhydraat
Verschillende soorten vetten
,