Meritocratie = mensen krijgen een plek in de maatschappij op grond van hun verdiensten
Sociale mobiliteit = de mate waarin mensen een positie innemen in de maatschappij ten opzichte van hun ouders
Opportunity gap = de kloof tussen de hoger en lager opgeleiden en hun kinderen, het klassenverschil dat de
‘bepalende factor van zo ongeveer alles’ is
Intergeneratiemobiliteit = de stijging en daling op de ‘ladder’ van kinderen t.o.v. hun ouders
Intrageneratiemobiliteit = het stijgen en dalen van binnen het eigen beroepsleven en generatie
Macht van de zelfsprekendheid = zorgt ervoor dat mensen in de eerste instantie vaak geen tegenreactie geven,
maar gewoon overnemen wat er gezegd wordt. De heersende ideologie in een land geeft een verklaring voor de
bovenstaande situatie.
Ideologiekritiek = het blootstellen van bestaande machtsverhoudingen
Sociologische verbeeldingskracht = ogenschijnlijk van elkaar losstaande persoonlijke ervaringen, situaties en
problemen leren zien in het licht van de manier waarop de maatschappij functioneert
Macht (in de sociologie) = het vermogen om vorm te geven aan de eigen toekomst
Socialisatie = het proces waarin je leert je sociaal te gedragen in de voor jou relevante groepen
Waarden = opvattingen die je met anderen deelt over wat goed is en daardoor nastrevenswaardig
Normen = concrete gedragsregels die aangegeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie, wat je moet doen
of juist niet
Internalisering = het proces waarin je je verwachte gedrag eigen maakt en automatisch doet
Hospitalisering = het gedrag van mensen wordt zo door anderen bepaald en geregeld dat ze zelf nauwelijks meer
eigen initiatief kunnen nemen. Bijvoorbeeld: bejaardentehuizen en gevangenissen
Institutionalisering = een gestandaardiseerd patroon van denken en doen in bepaalde situaties
Institutie = iets is geïnstitutionaliseerd. Oftewel een vast patroon van denken en doen is ontwikkeld
Instantie = bepaalde organisaties die instituties uitdragen in de samenleving. Bijvoorbeeld: school, rechterlijke
macht, kerk/moskee
Reïficatie = sociologische begrippen worden gezien als op zichzelf stand en los van mensen. Bijvoorbeeld: “de
samenleving en “de economie”
Sociale controle = alle reacties van mensen om waarden en normen te handhaven in de maatschappij
Onduldbare gedragingen = overtredingen die de politie niet makkelijk kan aanpakken, maar door instanties
aangepakt moeten worden. Bijvoorbeeld: pesten op school
Rationele keuzetheorie = een afweging maken tussen kosten en baten van gedrag
Cultuur = kennis, ervaringen, opvattingen, normen en waarden die een groepering met elkaar deelt. Het gaat hier
om alle niet-materiële zaken
Enculturatie = als je als kind door het socialisatieproces de cultuur van de samenleving eigen maakt