HC pathologie seminar long kanker 20-02-18
De incidentie van longkanker is zo’n 10.000 mensen. De sterftecijfers van longkanker liggen
erg hoog vergeleken met andere vormen van kanker. De oorzaak (etiologie) ervan is vaak
roken, er is aangetoond dat longkanker vaker voorkomt bij rokers dan bij niet-rokers, of
luchtvervuiling, genetische predispositie e.d. In 95% van de gevallen van longkanker zijn het
longcarcinomen.
De symptomen zijn een chronische hoest, afvallen, malaise en kortademigheid. De
specifieke tekenen van longkanker zijn Horner’s syndroom, hierbij zie je een hangend ooglid,
verminderd zweten etc. en dit komt door een uitgroei van de kanker naar de sympatische
ganglia, superior vena cava syndroom, paraneoplastische syndromen waarin indirecte
effecten van de tumor ontstaan door humorale factoren of er een immuunrespons wordt
gemaakt tegen de tumor. Helaas treden de symptomen vaak pas op wanneer het
kankergezwel al niet meer operatief verwijderd kan worden.
Onder paraneoplastische syndromen verstaan we: hypercalcaemie, Cushing syndroom,
neuromusculaire syndromen en coagulatie abnormaliteiten.
De plekken van metastase van longkanker zijn: de lever, de botten, de bijnieren, de hersenen
en de lymfeklieren.
Wanneer er een longtumor wordt verdacht is de volgende stap het maken van een röntgen
scan en een contrast enhanced CT-scan. Ook worden er een FDG PET/CT-scan gemaakt
wanneer er wordt gedacht dat de patiënt nog in een ‘curable’ stadium is van de ziekte. Een
MRI wordt niet gemaakt, omdat dit vooral voor de hersenen is. Het kan wel nuttig zijn om te
zien of er uitzaaiingen zijn en wordt gedaan voor operaties aan de tumor. De volgende stap is
het afnemen van een biopt. Dit kan d.m.v. bronchoscopie, EBUS of EUS (deze laatste is voor
de slokdarm), of van buitenaf. De EBUS en EUS zijn kleine cameraatjes met een naald erop.
Van buitenaf heeft de minste voorkeur omdat het een groter risico geeft op een klaplong.
Bij de histopathologie zijn twee
celsoorten te scheiden: SCLC’s en
NSCLC’c. Dit zijn small cell lung cancer en
non-small lung cancer respectievelijk. De
NSCLC is onder te verdelen is
adenocarcinoma en squamous cell. Deze
classificatie is volgens het boek outdated
maar de verdeling hieronder is zo
gemaakt omdat SCLC’s vrijwel allen
gemetastaseerd zijn en alleen met
systemische therapie te behandelen zijn
en dat NSLCL’s juist niet reageren op
chemo en wel geopereerd kunnen worden. De adenocarcinomen bevinden zich vaak perifeer
of richting het hilum. Ze hebben verschillende groeipatronen: acinar (kliervormend), papillair,
muceus en solide. De voorloper van de adenocarcinomen is de atypische adenomateuze
hyperplasie (AAH). Squamous cell carcinomen komen meer voor bij mannen en zijn erg
De incidentie van longkanker is zo’n 10.000 mensen. De sterftecijfers van longkanker liggen
erg hoog vergeleken met andere vormen van kanker. De oorzaak (etiologie) ervan is vaak
roken, er is aangetoond dat longkanker vaker voorkomt bij rokers dan bij niet-rokers, of
luchtvervuiling, genetische predispositie e.d. In 95% van de gevallen van longkanker zijn het
longcarcinomen.
De symptomen zijn een chronische hoest, afvallen, malaise en kortademigheid. De
specifieke tekenen van longkanker zijn Horner’s syndroom, hierbij zie je een hangend ooglid,
verminderd zweten etc. en dit komt door een uitgroei van de kanker naar de sympatische
ganglia, superior vena cava syndroom, paraneoplastische syndromen waarin indirecte
effecten van de tumor ontstaan door humorale factoren of er een immuunrespons wordt
gemaakt tegen de tumor. Helaas treden de symptomen vaak pas op wanneer het
kankergezwel al niet meer operatief verwijderd kan worden.
Onder paraneoplastische syndromen verstaan we: hypercalcaemie, Cushing syndroom,
neuromusculaire syndromen en coagulatie abnormaliteiten.
De plekken van metastase van longkanker zijn: de lever, de botten, de bijnieren, de hersenen
en de lymfeklieren.
Wanneer er een longtumor wordt verdacht is de volgende stap het maken van een röntgen
scan en een contrast enhanced CT-scan. Ook worden er een FDG PET/CT-scan gemaakt
wanneer er wordt gedacht dat de patiënt nog in een ‘curable’ stadium is van de ziekte. Een
MRI wordt niet gemaakt, omdat dit vooral voor de hersenen is. Het kan wel nuttig zijn om te
zien of er uitzaaiingen zijn en wordt gedaan voor operaties aan de tumor. De volgende stap is
het afnemen van een biopt. Dit kan d.m.v. bronchoscopie, EBUS of EUS (deze laatste is voor
de slokdarm), of van buitenaf. De EBUS en EUS zijn kleine cameraatjes met een naald erop.
Van buitenaf heeft de minste voorkeur omdat het een groter risico geeft op een klaplong.
Bij de histopathologie zijn twee
celsoorten te scheiden: SCLC’s en
NSCLC’c. Dit zijn small cell lung cancer en
non-small lung cancer respectievelijk. De
NSCLC is onder te verdelen is
adenocarcinoma en squamous cell. Deze
classificatie is volgens het boek outdated
maar de verdeling hieronder is zo
gemaakt omdat SCLC’s vrijwel allen
gemetastaseerd zijn en alleen met
systemische therapie te behandelen zijn
en dat NSLCL’s juist niet reageren op
chemo en wel geopereerd kunnen worden. De adenocarcinomen bevinden zich vaak perifeer
of richting het hilum. Ze hebben verschillende groeipatronen: acinar (kliervormend), papillair,
muceus en solide. De voorloper van de adenocarcinomen is de atypische adenomateuze
hyperplasie (AAH). Squamous cell carcinomen komen meer voor bij mannen en zijn erg