HC pathologie 14-02-18
Transplantatie en oncologie
Een groot obstakel bij weefsel- en orgaantransplantaties is het afstoten van donorweefsel.
Hierin valt de ontvanger zijn immuunsysteem het orgaan/weefsel aan. Om dit proces toch
succesvol te laten verlopen moet het immuunsysteem worden onderdrukt.
Herkenning van de donor antigenen wordt vooral veroorzaakt door verschillen in de HLA-
allelen. Er zijn twee routes waarmee de T-cellen de antigenen kunnen herkennen:
- De antigenen worden direct gepresenteerd aan de ontvanger zijn T-cellen door APCs
van de donor.
- De antigenen van de donor worden gezien door de ontvanger zijn APCs en vervolgens
gepresenteerd aan de T-cellen, dit is de indirecte manier.
Zowel CD4 als CD8 cellen worden geactiveerd.
Immuunresponsen zijn sterker tegen allografts (grafts uitgewisseld tussen individuen van
dezelfde soort) dan tegen pathogenen. Dit komt omdat ze deze antigenen vaker herkennen.
Er zijn verschillende soorten van afstoting, hyperacuut, acuut en chronisch, op basis van
klinische en pathologische kenmerken. De hyperacute afstoting wordt gemedieerd door
antilichamen die specifiek zijn voor antigenen die op de endotheelcellen zitten van de graft.
Deze antilichamen kunnen natuurlijk aanwezig zijn omdat ze specifiek zijn voor bloedgroep
antigenen of ze zijn eerder geïnduceerd en circuleren dus al rond. Deze vorm van afstoting
komt weinig voor. Acute rejectie wordt gemedieerd door T-cellen en antilichamen die
worden geactiveerd door alloantigenen in de graft. Het vindt plaats na enige dagen of weken.
Het is onder te verdelen a.d.h.v. de rol van de T-cellen: acute cellulaire afstoting en acute
humorale afstoting. Bij de eerste vernietigen de CD8 T-cellen de graft en scheiden de CD4 T-
cellen cytokines uit. De tweede heeft te maken met het binden van antilichamen aan het
vasculaire endotheel en het activeren van het complement systeem (zie afbeelding).
Chronische afstoting vindt plaats na maanden of jaren en lijdt tot een steeds progressievere
vorm van graft functieverlies. Het manifesteert zich als interstitiële fibrose waardoor
langzamerhand de bloedvaten van de graft worden afgesloten (graft arteriosclerose).
Transplantatie en oncologie
Een groot obstakel bij weefsel- en orgaantransplantaties is het afstoten van donorweefsel.
Hierin valt de ontvanger zijn immuunsysteem het orgaan/weefsel aan. Om dit proces toch
succesvol te laten verlopen moet het immuunsysteem worden onderdrukt.
Herkenning van de donor antigenen wordt vooral veroorzaakt door verschillen in de HLA-
allelen. Er zijn twee routes waarmee de T-cellen de antigenen kunnen herkennen:
- De antigenen worden direct gepresenteerd aan de ontvanger zijn T-cellen door APCs
van de donor.
- De antigenen van de donor worden gezien door de ontvanger zijn APCs en vervolgens
gepresenteerd aan de T-cellen, dit is de indirecte manier.
Zowel CD4 als CD8 cellen worden geactiveerd.
Immuunresponsen zijn sterker tegen allografts (grafts uitgewisseld tussen individuen van
dezelfde soort) dan tegen pathogenen. Dit komt omdat ze deze antigenen vaker herkennen.
Er zijn verschillende soorten van afstoting, hyperacuut, acuut en chronisch, op basis van
klinische en pathologische kenmerken. De hyperacute afstoting wordt gemedieerd door
antilichamen die specifiek zijn voor antigenen die op de endotheelcellen zitten van de graft.
Deze antilichamen kunnen natuurlijk aanwezig zijn omdat ze specifiek zijn voor bloedgroep
antigenen of ze zijn eerder geïnduceerd en circuleren dus al rond. Deze vorm van afstoting
komt weinig voor. Acute rejectie wordt gemedieerd door T-cellen en antilichamen die
worden geactiveerd door alloantigenen in de graft. Het vindt plaats na enige dagen of weken.
Het is onder te verdelen a.d.h.v. de rol van de T-cellen: acute cellulaire afstoting en acute
humorale afstoting. Bij de eerste vernietigen de CD8 T-cellen de graft en scheiden de CD4 T-
cellen cytokines uit. De tweede heeft te maken met het binden van antilichamen aan het
vasculaire endotheel en het activeren van het complement systeem (zie afbeelding).
Chronische afstoting vindt plaats na maanden of jaren en lijdt tot een steeds progressievere
vorm van graft functieverlies. Het manifesteert zich als interstitiële fibrose waardoor
langzamerhand de bloedvaten van de graft worden afgesloten (graft arteriosclerose).