HC pathologie 06-02-18
Ontstekingsprocessen
Afweercellen bevinden zich in het bloed. Zodra de
endotheelcellen mediatoren afgeven, die lokaal
geproduceerd worden, kunnen ze de ontsteking
herkennen en hierheen reizen.
Er zijn twee types van ontstekingen: acuut en
chronisch. Acuut bestaat uit de eerste, snelle respons
op de infectie en weefselbeschadiging. Hierbij horen
vooral het uittreden van de leukocyten, vooral
neutrofielen. Als deze initiële respons de indringer
niet kan opruimen ontstaat chronische ontsteking. Het
gaat gepaard met meer weefselbeschadiging, de
aanwezigheid van lymfocyten, macrofagen, de
proliferatie van bloedvaten en fibrose.
Ontsteking kan veroorzaakt worden door infecties
(wat het meest voorkomt; maar verschillende
pathogenen creëren verschillende reacties), weefsel
necrose, lichaamsvreemde objecten (denk aan splinters; een endogeen voorbeeld is
atherosclerose) en immuunreacties (ook wel bekend als hypersensitiviteit).
De herkenning van microben wordt bewerkstelligd door receptoren en circulerende eiwitten.
Onder de eiwitten vallen het complement systeem, welke zorgt voor de productie van
mediatoren en inflammatie, en mannose-binding lectin en collectins die zorgen voor het
‘labelen’ voor fagocytose. Receptoren die te maken hebben met de herkenning van een
bedreiging en dus de afweer zijn:
- Toll-like receptoren op immuuncellen (macrofagen, neutrofielen e.d.)
o Hiervan zijn er zo’n 10 stuks. Deze herkennen bacteriële producten extra- en
intracellulair, want ze bevinden zich op het plasmamembraan en in
endosomen. Ze herkennen pathogen-associated molecular patterns (PAMPs).
- Alle cellen hebben cytosolische receptoren die moleculen herkennen die worden
gemaakt of veranderd als de cel schade oploopt. Onder deze moleculen vallen ATP,
verminderde concentraties kalium en DNA-producten.
o De receptoren activeren vervolgens het inflammasome. Dit is een
intracellulaire receptor met enzymatische activiteit. Dit enzym knipt caspase
1. In tegenstelling tot andere caspases veroorzaakt deze geen apoptose.
Caspase 1 heeft als functie het splitsen van een voorloper van interleukine 1
(IL-1), dit stimuleert de ontstekingsreactie.
Na de herkenning van de indringer door de macrofagen e.d. in het weefsel, worden er
chemische mediatoren afgestaan die zorgen voor de recruitering van neutrofielen en andere
leukocyten. De mediatoren kunnen ook geproduceerd worden door plasma eiwitten die
reageren op de indringers of op de producten van dode cellen. Naast het oproepen activeren
deze mediatoren de leukocyten ook.
, De ontstekingsreactie bestaat uit meerdere soorten responsen; een vasculaire respons, een
cellulaire respons en systemische reacties. De vasculaire respons is de acute reactie waarbij
de bloedvaten dilateren, de permeabiliteit verhoogt en de migratie van leukocyten wordt
bevorderd. Door de verhoogde permeabiliteit kunnen eiwitten uittreden. Dit zorgt voor een
zwelling door de osmotische druk en een accumulatie van exudaat (= eiwitrijk vocht). Het
tegenovergestelde hiervan is transudaat, waarbij er een vloeistof is met weinig eiwit. Het
hebben van een oedeem houdt in dat of exudaat of transudaat in interstitiële ruimten zit.
De dilatatie wordt veroorzaakt door verschillende mediatoren, waaronder histamine. Het
begint in de arteriolen en komt daarna in de capillaire bedden.
Mechanismen die deze doorlaatbaarheid vergroten staan in de afbeelding beschreven.
Zoals te zien is, zorgt de vergrootte doorlaatbaarheid ook voor het uittreden van de
leukocyten. Door de dilatatie is er een betere doorstroming. Hierna, waarna de
permeabiliteit is toegenomen, neemt de doorstroming af door het verlies van volume en
neemt het toe in viscositeit door de achterblijvende rode bloedcellen. Histologisch kan men
dit zien als vasculaire congestie en extern kan men het zien als het rood worden van de huid
(erythema).
C en D kunnen samengenomen worden omdat de leukocyten binden aan het beschadigde
endotheel en daardoor de permeabiliteit verhogen. De functie van E is niet duidelijk bij
mensen.
Tijdens inflammatie zorgen de lymfen voor het afvoeren van het exudaat. Ook andere cellen,
ook microben, kunnen hierdoor in het lymfe komen. Hierdoor kunnen het lymfestelsel en de
lymfeknopen secundair geïnfecteerd raken.
De belangrijkste leukocyten bij een ontsteking zijn degene die kunnen fagocyteren: de
neutrofielen en macrofagen. Ze komen bij de ontsteking terecht door het volgen van
cytokines en andere mediatoren.
Ontstekingsprocessen
Afweercellen bevinden zich in het bloed. Zodra de
endotheelcellen mediatoren afgeven, die lokaal
geproduceerd worden, kunnen ze de ontsteking
herkennen en hierheen reizen.
Er zijn twee types van ontstekingen: acuut en
chronisch. Acuut bestaat uit de eerste, snelle respons
op de infectie en weefselbeschadiging. Hierbij horen
vooral het uittreden van de leukocyten, vooral
neutrofielen. Als deze initiële respons de indringer
niet kan opruimen ontstaat chronische ontsteking. Het
gaat gepaard met meer weefselbeschadiging, de
aanwezigheid van lymfocyten, macrofagen, de
proliferatie van bloedvaten en fibrose.
Ontsteking kan veroorzaakt worden door infecties
(wat het meest voorkomt; maar verschillende
pathogenen creëren verschillende reacties), weefsel
necrose, lichaamsvreemde objecten (denk aan splinters; een endogeen voorbeeld is
atherosclerose) en immuunreacties (ook wel bekend als hypersensitiviteit).
De herkenning van microben wordt bewerkstelligd door receptoren en circulerende eiwitten.
Onder de eiwitten vallen het complement systeem, welke zorgt voor de productie van
mediatoren en inflammatie, en mannose-binding lectin en collectins die zorgen voor het
‘labelen’ voor fagocytose. Receptoren die te maken hebben met de herkenning van een
bedreiging en dus de afweer zijn:
- Toll-like receptoren op immuuncellen (macrofagen, neutrofielen e.d.)
o Hiervan zijn er zo’n 10 stuks. Deze herkennen bacteriële producten extra- en
intracellulair, want ze bevinden zich op het plasmamembraan en in
endosomen. Ze herkennen pathogen-associated molecular patterns (PAMPs).
- Alle cellen hebben cytosolische receptoren die moleculen herkennen die worden
gemaakt of veranderd als de cel schade oploopt. Onder deze moleculen vallen ATP,
verminderde concentraties kalium en DNA-producten.
o De receptoren activeren vervolgens het inflammasome. Dit is een
intracellulaire receptor met enzymatische activiteit. Dit enzym knipt caspase
1. In tegenstelling tot andere caspases veroorzaakt deze geen apoptose.
Caspase 1 heeft als functie het splitsen van een voorloper van interleukine 1
(IL-1), dit stimuleert de ontstekingsreactie.
Na de herkenning van de indringer door de macrofagen e.d. in het weefsel, worden er
chemische mediatoren afgestaan die zorgen voor de recruitering van neutrofielen en andere
leukocyten. De mediatoren kunnen ook geproduceerd worden door plasma eiwitten die
reageren op de indringers of op de producten van dode cellen. Naast het oproepen activeren
deze mediatoren de leukocyten ook.
, De ontstekingsreactie bestaat uit meerdere soorten responsen; een vasculaire respons, een
cellulaire respons en systemische reacties. De vasculaire respons is de acute reactie waarbij
de bloedvaten dilateren, de permeabiliteit verhoogt en de migratie van leukocyten wordt
bevorderd. Door de verhoogde permeabiliteit kunnen eiwitten uittreden. Dit zorgt voor een
zwelling door de osmotische druk en een accumulatie van exudaat (= eiwitrijk vocht). Het
tegenovergestelde hiervan is transudaat, waarbij er een vloeistof is met weinig eiwit. Het
hebben van een oedeem houdt in dat of exudaat of transudaat in interstitiële ruimten zit.
De dilatatie wordt veroorzaakt door verschillende mediatoren, waaronder histamine. Het
begint in de arteriolen en komt daarna in de capillaire bedden.
Mechanismen die deze doorlaatbaarheid vergroten staan in de afbeelding beschreven.
Zoals te zien is, zorgt de vergrootte doorlaatbaarheid ook voor het uittreden van de
leukocyten. Door de dilatatie is er een betere doorstroming. Hierna, waarna de
permeabiliteit is toegenomen, neemt de doorstroming af door het verlies van volume en
neemt het toe in viscositeit door de achterblijvende rode bloedcellen. Histologisch kan men
dit zien als vasculaire congestie en extern kan men het zien als het rood worden van de huid
(erythema).
C en D kunnen samengenomen worden omdat de leukocyten binden aan het beschadigde
endotheel en daardoor de permeabiliteit verhogen. De functie van E is niet duidelijk bij
mensen.
Tijdens inflammatie zorgen de lymfen voor het afvoeren van het exudaat. Ook andere cellen,
ook microben, kunnen hierdoor in het lymfe komen. Hierdoor kunnen het lymfestelsel en de
lymfeknopen secundair geïnfecteerd raken.
De belangrijkste leukocyten bij een ontsteking zijn degene die kunnen fagocyteren: de
neutrofielen en macrofagen. Ze komen bij de ontsteking terecht door het volgen van
cytokines en andere mediatoren.