H8 Tijd van burgers en stoommachines
Paragraaf 1 De Industriële revolutie
Kenmerkende aspecten:
1. De Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële
samenleving.
2. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
3. De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen nationalisme, liberalisme,
socialisme, confessionalisme en feminisme.
4. Discussies over de ‘sociale kwestie’.
5. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan
het politiek proces.
6. De opkomst van emancipatiebewegingen.
Aan het einde van de vijftiende eeuw werkten de meeste mensen in Europa in de landbouw. De
boeren waren nagenoeg zelfvoorzienend (= ze produceerde zelf bijna alles wat ze nodig hadden).
In steden verwerkten ambachtslieden grondstoffen uit de land- en mijnbouw tot
nijverheidsproducten. Een ambachtsman werkte in een kleine werkplaats, vlakbij zijn huis en hij was
een ‘meester’ in zijn vak. Dat wil zeggen dat hij zich van zijn gilde zo mocht noemen. Hij leverden aan
mensen in zijn directe omgeving. De Gilde bracht veel regels met zich mee en bepaalde alles tot in
detail. (Bijv. kwaliteit, prijs en beloning)
Vanaf de 15e eeuw: Gilden groeien uit tot gesloten groepen met monopolie (alleenrecht) op een
ambacht. Werd je niet toegelaten tot een gilde, dan kon je je ambacht niet in de stad uitvoeren.
Gildemeester werden steeds machtiger, een voordeel hiervan is dat gilden borg stonden voor
kwaliteit. Nadelen waren dat gilden het aanbod beperkten, ze hielden kunstmatig hoge prijzen aan,
massaproductie was niet mogelijk en technische verbeteringen werden tegengehouden.
Om de knellende regels van de stedelijke gildes te omzeilen, ontwikkelde zich op het platteland een
huisnijverheid (= Het aan het huis maken van producten. Een ondernemer levert hiervoor de
grondstoffen en hulpmiddelen, en neemt de eindproducten af). De thuiswerkers waren ongeschoolde
arbeiders en boeren.
In de loop van de 18e eeuw werd de huisnijverheid een steeds belangrijker bron van inkomsten voor
de Engelse boeren.
Tegelijk met de opkomst van de huisnijverheid veranderde op het Engelse platteland de agrarische
productie. Het was de grootgrondbezitters gelukt om steeds meer grond in eigendom te krijgen. Ze
voegden deze gebieden aaneen, wat het bewerken van het land efficiënter maakte.
Hierdoor nam de productie toe en kwam er in Engeland meer voedsel beschikbaar. Dit had
positieve invloed op de volksgezondheid. Hierdoor groeide de bevolking fors.
Tegelijkertijd waren er door nieuwe productiemethoden minder mensen nodig voor het werk in de
landbouw.
Er ontstond dus een grote groep mensen die opzoek was naar werk buiten de landbouw.
, Drie uitvindingen:
1. John Kay in 1733: de eerste baanbrekende uitvinding in de Engelse katoenindustrie, de
schietspoel. Hiermee kon de wever de inslagdraden veel sneller door de scheringdraden
schuiven.
Hierdoor nam de behoefte aan een verbetering van de manier van spinnen sterk toe.
2. Er kwam een prijsvraag voor het ontwikkelen van een spinmachine, 1761. James Hargreaves
ontwerpt de Spinning Jenny, maar houd deze nog even geheim. De productie van garen
neemt toe, maar het is niet genoeg om de inmiddels verbeterde weefgetouwen bij te
houden.
3. Richard Arkwright was pruikenmaker en kapper maar werkte ’s nachts aan zijn uitvinding. Hij
ontwierp een machine met daarin rollers waarmee 200 keer zo snel per uur werd
geproduceerd dan normaal een spinner. De machine had te veel spoelen om met de hand te
laten draaien, daarom kwam de energie van een waterrad, de machine werd een
‘waterframe’ genoemd.
De Spinning Jenny kon men thuis bedienen, maar de waterframe was daarvoor ongeschikt. Voor de
machine was waterkracht nodig, geen mankracht. Hierdoor ging men in de katoennijverheid over van
productie door huisnijverheid naar productie in een fabriek.
Sommige spinnerijen waren enorm, ze werden door waterkracht aangedreven en werden op z’n
Engels Mill (molen) genoemd. Vanaf toen bepaalde een Mill wanneer er gewerkt moest worden.
Zodra er water door de sluizen kwam ging de fabrieksbel en moest er gewerkt worden. Ondernemers
probeerden zoveel mogelijk winst te maken en haalden hele families van het platteland naar de
fabrieken in ruil voor werk en huisvesting. Voor thuiswerkers trad er grote concurrentie op. In oktober
1779 trokken duizenden richting de spinnerijen, enkele werden totaal vernield. Maar door protesten
werd de industrialisering niet tegengehouden.
Een geschikte locatie vinden voor een mill was een probleem, want een mill moest aan een riviertje
met voldoende snelstromend water staan en de beste plekken raakten snel bezet. De ondernemers
wilden niet meer afhankelijk zijn van waterkracht en zochten naar andere manieren om hun
machines aan te drijven. Die vonden ze in de stoommachine.
James Watt zorgde voor deze machine met talloze doeleinden. Vrijwel elke plek was nu geschikt voor
een fabriek.
Industriële revolutie: De overgang van het maken van producten met de hand naar een
fabrieksmatige productie.
Gevolgen van de industriële revolutie:
- Midden 19e eeuw was in Engeland de agrarische-urbane samenleving veranderd in een
industriële samenleving (= de mensen werkten niet langer meer in de landbouw, maat in de
industrie).
- De bevolking groeide snel en gingen vooral in steden wonen. Dit noem je urbanisatie.
- Een enorme uitbreiding van de mogelijkheden voor vervoer, zoals de stoomlocomotief en
door stoommachines aangedreven binnenvaart- en zeeschepen.
Engeland was dus de eerste. In België en Frankrijk zette de Industriële Revolutie pas door in 1810. In
Duitsland duurde het tot midden negentiende eeuw.