Aantekeningen hoorcollege 1 t/m 14
HC1
Filosofie =
1. conceptueel onderzoek: ‘’wat bedoel je met term.. / concept X?’’
2. conceptuele verheldering: wat bedoel je met concept + kijken naar wetenschap op
concepten bij te stellen
3. grondslagenonderzoek/ geldigheidswetenschap: ‘’zijn die concepten wel geldig?’’
4. perspectiefwisseling: middelbare school
5. zoektocht naar de waarheid
6. all of the above: JA: we willen weten wat we bedoelen met concepten, soms door
perspectiefwisseling, zodat we alles zo helder en duidelijk mogelijk krijgen.
Filosofie = kritisch denken over…
… hoe moet ik handelen
… wat is wetenschap (verdrongen herinneringen)
… wat is de geest? Wat is de psyche? Wat is bewustzijn? Hoe past dit in de fysische
wereld?
Bewustzijn = persoonlijke ervaringen.. lichaam-geest probleem
- dualistische ideeën: lichaam en geest zijn twee verschillende dingen.
- Initiële indeling, mentale toestanden:
o Bewuste ervaringen: what-it-is-likeness (qualia), geuren, smaken
o Cognitie: propositionele attitude (houding tov propositie), gaan ergens over
(intentionaliteit)
o Emoties: combinatie ervaring + cognitie, zowel kwalitatief karakter als
intentionaliteit
- Probleem: hoe kan er denken en voelen zijn in een wereld van uitsluitend materie.
Hoe verhouden de mentale toestanden zich tot de fysische wereld, het lichaam en
met name het brein?
Substantiedualisme, Descartes
- Lichaam en geest kunnen onafhankelijk van elkaar functioneren
- Twee substanties: res cogitas (geest) en res extensa (lichaam)
- Descartes eerste methode: twijfel aan alles – cogito ergo sum
- Descartes tweede methode: helder en duidelijk inzicht
- Internalisme: we merken dingen op, omdat we waarnemen
- Ervaringen zitten in de geest
- Interactieprobleem
o Causale geslotenheid: er gaat geen energie in of uit, alle fysische effecten
hebben een fysische oorzaak
o Interactie lichaam en geest in pijnappelklier
- Occasionalisme = alleen god is de ware oorzaak van dingen in de wereld
- Parallelisme = als we twee klokken hebben die synchroon lopen, dan komt dat
doordat ze zo gemaakt zijn. Hetzelfde geldt voor lichaam en geest
HC2
Idealisme:
- Er is maar één substantie: de geestelijke substantie
o Vorm van monisme (= één substantie)
- Empirisme: kennis via ervaring door waarneming
, Behaviorisme
- Enkel gedrag
- Geen onobserveerbare mentale entiteiten accepteren
- Geen woorden gebruiken die naar niet waarneembare zaken verwijzen
- Zo min mogelijk introspectie (= zelfreflectie)
- Input (stimuli) blackbox output (respons, gedrag)
o Zegt niks over wat er in de blackbox gebeurt
- Neemt mentale niet serieus
- Parafrasering is onmogelijk
- Psychologisch behaviorisme
o Methodologisch behaviorisme
o Human thought is human behavior
- Filosofisch behaviorisme
o Analytisch / linguïstisch / logisch behaviorisme
o Lichaam en geest beïnvloeden elkaar niet wederzijds (geen causale relatie),
er bestaat een conceptuele relatie (niet: hoofdpijn aspirine-neem-gedrag.
Maar conceptuele relatie: hoofdpijn – aspirine nemen – kreunen – zeggen ‘ik
heb hoofdpijn’)
o Categoriefout: gebouwen, bieb, mensa ed laten zien en de vraag krijgen
‘’waar is de universiteit?’’
HC3
Materialisme
- Alleen een fysische substantie
- Geen interactieprobleem
- Accepteert lichaam-geest superventiëntie (= bepalingsrelatie: bouwstenen en hun
relatie bepaalt wat het is)
- Indentiteitstheorie:
o Identiteit = twee dingen die feitelijk hetzelfde zijn. A = B
o Contingente waarheid: Als iets contingent waar is, dan kan je het ontkennen
zonder in een contradictie terecht te komen.
o Alle mentale toestanden zijn identiek met bepaalde brein- (of lichaams-)
toestanden, daarom geen interactieprobleem
o Mind-brain identity theory = reductionistisch materialisme