Week 1
- De student kan de verschillen in motieven tussen mensen toelichten.
Motivatie:
- Interne motivatie: behoeften van iemand
- Externe motivatie: situatie
Er is en wisselwerking tussen behoeften en situatie.
Behoeftenpyramide van Maslow
Je kunt gemotiveerd zijn als de voorgaande behoeften al voorzien zijn. Dus eerst behoefte
aan eten/drinken/seks en later pas aan sociaal contact. Dit kan dus verschillen in
motieven tussen mensen verklaren. De motieven die iemand heeft hangen, volgends
deze theorie, af van in welke behoeften de persoon al is voorzien.
ERG-theorie van Alderfer
Zelfde insteek als Maslow, komt deels overeen met zijn pyramide maar dat iets bondiger.
En Alderfer gaat niet uit van een volgorde, je hebt geen sociale contacten nodig om je te
ontwikkelen.
- Existentiële behoeften: Basis. Dingen die belangrijk zijn voor het bestaan (eten en
veiligheid)
- Relationele behoeften: Sociale contacten en waardering waar je behoefte aan hebt.
- Groeibehoeften: Ontwikkelbehoefte van werknemers.
Frustratie-regressie hypothese: Als één van deze behoefte gefrustreerd wordt, wordt er
teruggegrepen naar een andere behoeften, het liefst een trede lager. De volgorde is te
vergelijken met Maslow
Behoefteprofelen (McLelland)
Geeft aan welke behoeften belangrijk zijn voor mensen.
- Prestatiebehoefte: Mensen die op een bepaalde manier willen presteren.
- Machtsbehoefte: Mensen die invloed willen kunnen uitoefenen en leiding willen geven.
- Affiliatiebehoefte: Behoefte aan menselijk contact.
1
, Motivatie door situatie
Trial and error: Als iets niet werkt, probeer je het op een andere manier.
Wet van efect: Op het moment dat je merkt dat iets een positief efect heeft doordat het
positief wordt bekrachtigd, zal je dit gedrag nog een keer vertonen. Andersom geldt dat
je het gedrag bij een negatieve bekrachtiging waarschijnlijk niet meer zal vertonen/ ander
gedrag te vertonen.
Wisselwerking behoefte & situatie
Verwachtingstheorie (Vroom):
- Verband tussen inspanning en prestatie: Ik ga me pas inspannen als ik merk dat
dit ook daadwerkelijk een prestatie zal opleveren. Bijvoorbeeld ik ga pas mijn
huiswerk maken als ik merk dat ik hiermee de tentamenstof leer.
- Verband tussen prestaties en opbrengsten: Bijvoorbeeld ga ik ga pas leren voor
dit vak als ik weet dat ik dan ook mijn tentamen ga halen.
- Waarde van de opbrengsten: Vind ik de opbrengst wel waardevol? Bijvoorbeeld
vind ik het halen van een tentamen wel waardevol?
Combinatie van bovengenoemde zorgt ervoor dat je je gaat inspannen zodat je een
prestatie levert, die je wat opbrengt en die je waardevol vindt.
Attributietheorie (Vroom & Kelley):
- Interne attributie of externe attributie
(komt iets door onszelf of door de situatie)
- Zelfdienende vertekening: Is voor mensen heel prettig. Als iets goed gaat kennen we
dit toe aan ons zelf, als iets fout gaat kennen we dat vaker toe aan de situatie.
- Fundamentele attributiefout: Als we naar andere mensen kijken, schatten we sneller
in dat hun gedrag komt door henzelf, vooral als het fout gaat. Hier onderschatten we
de invloed van de situatie.
- De student kan de onderdelen van het ASE-model toelichten.
Attitude is in dit model op te delen in cognitief, emotioneel en gedragsmatig aspect.
2