Aardrijkskunde
Geowijzer
Aantekeningen werkcolleges
Aardrijkskunde zorgt voor een geografssc wereldbeeld en de ruimtelijke oriëntate bij
kinderen. Je kan de geografssce zienswijze gebruiken om kinderen aardrijkskunde beter te
laten begrijpen. Het bestaat uit:
1. Waarnemen
Geografssce vragen cierbij: wat zie je/waar is het?
2. Beschrijven
Geografssce vragen cierbij: wat zie je/waar is het?
3. Verklaren
Geografssce vragen cierbij: waarom is het daar/waarom ziet het er daar zo uit?
4. Generaliseren
Geografssce vragen cierbij: waar heb je dat eerder gezien/zie je dat ook wel ergens
anders?
5. Waarderen
Geografssce vragen cierbij: wat betekent dat voor mij/wat betekent dat voor die
mensen/kan het ook anders?
De geografssce vragen zijn altjd te gebruiken in je les aardrijkskunde. Er zijn ook
versscillende perspesteven waar je rekening mee kan couden:
- Natuur (klimaat, begroeiing, natuurlijk landsscap)
- Cultuur (uitngen, omgangsvormen, religie, taal, waarden en normen)
- Werk/economie (coe verdienen mensen cun geld, welk werk kom je tegen)
- Politek (wie ceef de masct, coe is deze verdeeld, coe worden beslissingen
genomen)
- Bevolking (wie wonen er, coeveel, vercouding jong/oud, rijk/arm ets.)
Er zijn vijf sscaalniveaus:
1. Lokaal (eigen buurt/stad/dorp)
2. Regionaal (streek/provinsie)
3. Natonaal (land)
4. Contnentaal (werelddeel)
5. Mondiaal (cele wereld)
Op de basissscool wordt er meestal langzaam uitgezoomd. In de onderbouw kijk je naam je
eigen liscaam, eigen cuis, eigen sscool en straat. In de middenbouw naar je eigen omgeving.
In groep 6 naar Nederland, in groep 7 naar Europa en in groep 8 naar de cele wereld. Het is
ook belangrijk om binnen die indeling te wisselen van sscaalniveaus. Foto’s en cet gebruik
van kaarten bieden cier veel kansen voor.
, Je kan versscillende dingen met foto’s in je aardrijkskundelessen:
- Dobbelsteen-werkvorm (6 foto’s met 1 tcema, die met elkaar vergelijken)
- Woordlandsscap (kinderen zelf dingen in cet landsscap laten benoemen)
- Classifseren
- Bijsscrif/ttel geven aan de foto
- Begrippen identfseren
- Vergelijken (wat is cetzelfde, wat is anders)
- Beeldvorming bij kaartgebruik
Soorten gesteenten
- Stollingsgesteente: ceef een vaste vorm gekregen door stolling van vloeibaar
materiaal: magma of lava. Vulkanisch gesteente stolt vlakbij/aan cet aardoppervlak.
Dit koelt sneller af dan dieptegesteente wat dieper onder cet aardoppervlak stolt.
Als de afkoeling snel gaat krijg je een gesteente met kleine kristallen (comogene
vaste stof, begrensd door plate vlakken). Hoe meer tjd en ruimte een stof krijgt, coe
meer en coe grotere kristallen zisc zullen vormen. Basalt koelt snel af, graniet
langzaam. In graniet zijn versscillende kristallen duidelijk cerkenbaar: kwarts,
veldspaat en biotet. Er zijn veel eigensscappen mogelijk bij stollingsgesteente:
1. De disctceid kan klein zijn of groot
2. Het kan mooie kristallen bevaten
3. Het kan metaalerts bevaten
4. Het kan een glad, glasasctg uiterlijk cebben (vulkanissc glas bijvoorbeeld)
- Sedimentair gesteente:
Geowijzer
Aantekeningen werkcolleges
Aardrijkskunde zorgt voor een geografssc wereldbeeld en de ruimtelijke oriëntate bij
kinderen. Je kan de geografssce zienswijze gebruiken om kinderen aardrijkskunde beter te
laten begrijpen. Het bestaat uit:
1. Waarnemen
Geografssce vragen cierbij: wat zie je/waar is het?
2. Beschrijven
Geografssce vragen cierbij: wat zie je/waar is het?
3. Verklaren
Geografssce vragen cierbij: waarom is het daar/waarom ziet het er daar zo uit?
4. Generaliseren
Geografssce vragen cierbij: waar heb je dat eerder gezien/zie je dat ook wel ergens
anders?
5. Waarderen
Geografssce vragen cierbij: wat betekent dat voor mij/wat betekent dat voor die
mensen/kan het ook anders?
De geografssce vragen zijn altjd te gebruiken in je les aardrijkskunde. Er zijn ook
versscillende perspesteven waar je rekening mee kan couden:
- Natuur (klimaat, begroeiing, natuurlijk landsscap)
- Cultuur (uitngen, omgangsvormen, religie, taal, waarden en normen)
- Werk/economie (coe verdienen mensen cun geld, welk werk kom je tegen)
- Politek (wie ceef de masct, coe is deze verdeeld, coe worden beslissingen
genomen)
- Bevolking (wie wonen er, coeveel, vercouding jong/oud, rijk/arm ets.)
Er zijn vijf sscaalniveaus:
1. Lokaal (eigen buurt/stad/dorp)
2. Regionaal (streek/provinsie)
3. Natonaal (land)
4. Contnentaal (werelddeel)
5. Mondiaal (cele wereld)
Op de basissscool wordt er meestal langzaam uitgezoomd. In de onderbouw kijk je naam je
eigen liscaam, eigen cuis, eigen sscool en straat. In de middenbouw naar je eigen omgeving.
In groep 6 naar Nederland, in groep 7 naar Europa en in groep 8 naar de cele wereld. Het is
ook belangrijk om binnen die indeling te wisselen van sscaalniveaus. Foto’s en cet gebruik
van kaarten bieden cier veel kansen voor.
, Je kan versscillende dingen met foto’s in je aardrijkskundelessen:
- Dobbelsteen-werkvorm (6 foto’s met 1 tcema, die met elkaar vergelijken)
- Woordlandsscap (kinderen zelf dingen in cet landsscap laten benoemen)
- Classifseren
- Bijsscrif/ttel geven aan de foto
- Begrippen identfseren
- Vergelijken (wat is cetzelfde, wat is anders)
- Beeldvorming bij kaartgebruik
Soorten gesteenten
- Stollingsgesteente: ceef een vaste vorm gekregen door stolling van vloeibaar
materiaal: magma of lava. Vulkanisch gesteente stolt vlakbij/aan cet aardoppervlak.
Dit koelt sneller af dan dieptegesteente wat dieper onder cet aardoppervlak stolt.
Als de afkoeling snel gaat krijg je een gesteente met kleine kristallen (comogene
vaste stof, begrensd door plate vlakken). Hoe meer tjd en ruimte een stof krijgt, coe
meer en coe grotere kristallen zisc zullen vormen. Basalt koelt snel af, graniet
langzaam. In graniet zijn versscillende kristallen duidelijk cerkenbaar: kwarts,
veldspaat en biotet. Er zijn veel eigensscappen mogelijk bij stollingsgesteente:
1. De disctceid kan klein zijn of groot
2. Het kan mooie kristallen bevaten
3. Het kan metaalerts bevaten
4. Het kan een glad, glasasctg uiterlijk cebben (vulkanissc glas bijvoorbeeld)
- Sedimentair gesteente: