WEEK 1
Het staatsrecht bestaat uit regels over de organisatie van de overheid en fundamentele
normen over de verhouding tussen de overheid en burger. Het staatsrecht heeft drie
functies. Constitueren is het bepalen dat er dingen zijn (constateren). Attribueren is het
koppelen van bevoegdheden aan een bestuursorgaan. Reguleren is het zorgen voor
procedures van het attribueren.
Om een staat te vormen moeten er een aantal stappen doorlopen worden. De eerste stap
heet territoir, dit is het innemen van een stuk grond met duidelijke grenzen. De tweede stap
heet natie, dit is het hebben van een gemeenschap die een zekere eenheid vormt. De derde
stap heet interne soevereiniteit, dit is het uitroepen van de staat en een effectief gezag
uitoefenen over de gemeenschap. Een staat met een slechte interne soevereiniteit heet
een fragile state. De laatste stap heet externe soevereiniteit, dit is waar het vaak fout gaat.
Het is het overleven van een confrontatie met de buren.
Gezag is een gelegitimeerde dwang, het wordt geaccepteerd door traditie (het is altijd al zo
geweest), charisma en omdat het werkt. Zolang het land goed functioneert, zal gezag
geaccepteerd worden. Er wordt gestreefd naar een minimale hoeveelheid dwang en een
maximale hoeveelheid gezag. Niet-gelegitimeerde dwang noem je feitelijke dwang, dit is
dwang die uitgevoerd wordt door iemand die daar niet voor bevoegd is.
De formele constitutie is de Grondwet. De materiële constitutie is het geheel aan regels dat
de staat heeft. Dit bestaat uit de Grondwet, het Statuut, organieke wetten, algemene
maatregelen van bestuur, ongeschreven staatsrecht, reglementen van orde en conventies.
Een rechtsstaat bestaat uit vier elementen: legaliteit, machtenscheiding,
grondrechten en rechtsbescherming. De scheiding van de machten gebeurt in functies
(wetgeven, besturen en rechtspreken), instituties (wetgever, bestuur en rechterlijke macht) en
personen (kamerleden, ministers en rechters). Bij machtenscheiding is controle van belang.
Vaak is het zo dat de drie machten zichzelf al controleren doordat er een evenwicht bereikt
wordt, maar het moet alsnog goed in de gaten gehouden worden, dit wordt gedaan door de
Staten-Generaal. In Nederland is er niet zozeer sprake van een machtenscheiding, maar van
een machtenspreiding, doordat iemand van de rechtsprekende macht ook in de wetgevende
macht kan zitten.
Vier beginselen van week 1:
1. Een staat heeft gezag, de maffia dwingt.
2. Een mooie Grondwet is nog geen goede materiële constitutie.
3. Democratische rechtsstaat: maximaal gezag met minimale dwang.
4. Goede motieven zijn mooi, slechte motieven zijn betrouwbaar (we weten dat het toch
gaat gebeuren, dus maak een systeem om dit tegen te gaan).
WEEK 2
Hoe democratisch is de materiële constitutie?
Democratie = het volk regeert/het volk heeft de interne soevereiniteit
Het staatsrecht bestaat uit regels over de organisatie van de overheid en fundamentele
normen over de verhouding tussen de overheid en burger. Het staatsrecht heeft drie
functies. Constitueren is het bepalen dat er dingen zijn (constateren). Attribueren is het
koppelen van bevoegdheden aan een bestuursorgaan. Reguleren is het zorgen voor
procedures van het attribueren.
Om een staat te vormen moeten er een aantal stappen doorlopen worden. De eerste stap
heet territoir, dit is het innemen van een stuk grond met duidelijke grenzen. De tweede stap
heet natie, dit is het hebben van een gemeenschap die een zekere eenheid vormt. De derde
stap heet interne soevereiniteit, dit is het uitroepen van de staat en een effectief gezag
uitoefenen over de gemeenschap. Een staat met een slechte interne soevereiniteit heet
een fragile state. De laatste stap heet externe soevereiniteit, dit is waar het vaak fout gaat.
Het is het overleven van een confrontatie met de buren.
Gezag is een gelegitimeerde dwang, het wordt geaccepteerd door traditie (het is altijd al zo
geweest), charisma en omdat het werkt. Zolang het land goed functioneert, zal gezag
geaccepteerd worden. Er wordt gestreefd naar een minimale hoeveelheid dwang en een
maximale hoeveelheid gezag. Niet-gelegitimeerde dwang noem je feitelijke dwang, dit is
dwang die uitgevoerd wordt door iemand die daar niet voor bevoegd is.
De formele constitutie is de Grondwet. De materiële constitutie is het geheel aan regels dat
de staat heeft. Dit bestaat uit de Grondwet, het Statuut, organieke wetten, algemene
maatregelen van bestuur, ongeschreven staatsrecht, reglementen van orde en conventies.
Een rechtsstaat bestaat uit vier elementen: legaliteit, machtenscheiding,
grondrechten en rechtsbescherming. De scheiding van de machten gebeurt in functies
(wetgeven, besturen en rechtspreken), instituties (wetgever, bestuur en rechterlijke macht) en
personen (kamerleden, ministers en rechters). Bij machtenscheiding is controle van belang.
Vaak is het zo dat de drie machten zichzelf al controleren doordat er een evenwicht bereikt
wordt, maar het moet alsnog goed in de gaten gehouden worden, dit wordt gedaan door de
Staten-Generaal. In Nederland is er niet zozeer sprake van een machtenscheiding, maar van
een machtenspreiding, doordat iemand van de rechtsprekende macht ook in de wetgevende
macht kan zitten.
Vier beginselen van week 1:
1. Een staat heeft gezag, de maffia dwingt.
2. Een mooie Grondwet is nog geen goede materiële constitutie.
3. Democratische rechtsstaat: maximaal gezag met minimale dwang.
4. Goede motieven zijn mooi, slechte motieven zijn betrouwbaar (we weten dat het toch
gaat gebeuren, dus maak een systeem om dit tegen te gaan).
WEEK 2
Hoe democratisch is de materiële constitutie?
Democratie = het volk regeert/het volk heeft de interne soevereiniteit