Hoofdstuk 1 tot en met 8 van Ethiek de basis.
37 vragen, verdeeld over de hoofdstukken
Einde pagina de antwoorden.
Vragen staan door elkaar. Achter het antwoord, staat het hoofdstuk waar je de tekst nog eens kunt
vinden.
1. Vrijheid van en vrijheid tot kunnen niet los van elkaar gezien worden
Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
2. Morele rechten gaan boven wettelijke rechten
Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
3. Wat is geen kenmerk van een moreel oordeel?
a. Het overstijgt het individuele
b. Het zal altijd morele verontwaardiging veroorzaken
c. Het is gericht op het goede
4. Boris is een jongen met LVB. Op een reguliere bassischool kan hij niet goed meekomen met de
andere leerlingen. Boris kan naar het speciaal onderwijs, om alsnog op zijn tempo goede educatie
te krijgen. Waar is dit een voorbeeld van?
a. Vrijheid tot
b. Vrijheid van
c. Vrijheid met
5. Er zijn 5 criteria waaraan je kunt herkennen of iemand de deugd verantwoordelijkheid heeft of
niet. Welke hoort er niet bij?
a. Persoonlijk bespreekbaar zijn op hun keuze
b. Nemen van zelfstandige keuzes
c. Oog hebben voor eerder gemaakte afspraken
6. Morele competentie is een zaak van argumenten en een zaak van het hart
Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
7. Kritiek hebben op iets gaat tegen het zelfbeschikkingsrecht in
, Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
8. ‘Mensen zijn vrije wezens die het leven dat ze leiden per definitie kiezen. Bij de mens gaat het
bestaan, de existentie, aan de essentie vooraf.’ Van wie is deze uitspraak?
a. Emanuel Levinas
b. Beau von Satre
c. Jean-Paul Satre
9. Onder welk recht valt een arbeiderscontract?
a. Specifiek recht
b. Algemeen recht
c. Moreel recht
10. Het geheel van gedeelde morele oordelen van een groep dat ontstaat in een gesprek.
Waar hebben we het over?
a. Ethiek
b. Universaliteitsprincipe
c. Moraal
11. Politie: ‘U weet dat het milieuvervuiling is als u uw snoeppapiertje op grond gooit toch?’
Anton: ‘Ja maar ik zag geen prullenbak in de buurt staan.’
Waar is dit een voorbeeld van?
a. Kwader trouw
b. Vrijheid tot
c. Vrijheid van
12. Ongelijke verdeling kan op 1 manieren. Welke manier hoort er niet bij?
a. Verdeling naar verworven rechten
b. Verdeling op geluk
c. Verdeling van verdienste
13. Als je beseft dat er moreel iets aan de hand is, waar spreek je dan over?
a. Morele oordeelsvorming
b. Morele zelfsturing
c. Morele intuïtie
14. Vrijheidsrechten gaan boven sociale rechten
Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
15. Je staat open voor je eigen zwakheden en halve waarheden binnen je bibliotheek van morele
argumenten. Hoe noemen wij dit?
a. Moreel overdenken
b. Gevoelig denken