Week 1:
Stap 1: regelanalyse 6:162 lid 1 BW
Rv1: Hij pleegt een onrechtmatige daad jegens een ander
Rv2: De daad kan hem worden toegerekend
Rv3: De ander lijdt schade
Rv4: De schade is het gevolg van de onrechtmatige daad
Rg: Hij is verplicht de schade die de ander lijdt, te vergoeden
Stap 2: regelanalyse onrechtmatige daad
Rv1a: Het moet gaan om een inbreuk op een recht van een ander
Rv1b: Het moet gaan om een doen in strijd met een wettelijke plicht
Rv1c: Het moet gaan om een nalaten in strijd met een wettelijke plicht
Rv1d: Het moet gaan om een doen dat in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht
in het maatschappelijk verkeer betaamt
Rv1e: Het moet gaan om een nalaten dat in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven
recht in het maatschappelijk verkeer betaamt
Rv2: Er is geen rechtvaardigingsgrond aanwezig
Rg: Het wordt aangemerkt als een onrechtmatige daad
Stap 3: regelanalyse toerekenbaar
Rv1a: De daad is te wijten zijn aan de schuld van de dader
Rv1b: De daad is te wijten zijn aan een oorzaak welke krachtens de wet voor zijn rekening
komt
Rv1c: De daad is te wijten aan een oorzaak welke krachtens in het verkeer geldende
opvatting voor zijn rekening komt
Rg: Onrechtmatige daad kan de dader worden toegerekend
De wetgever geeft geen definitie van het begrip “strijd met hetgeen volgens ongeschreven
recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”. Om een nadere analyse van dat begrip te
kunnen maken moeten we gebruik maken van jurisprudentie: Kelderluik-arrest:/
De mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste
oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht.
De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan.
De ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben
De mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen
Week 2: zie week 1
Week 3:
Twee manieren voor het gebruiken van jurisprudentie bij het onderbouwen van een
standpunt:
1. Als een rechtsbron: de uitspraken van de rechters gebruik je om een bepaald
juridische probleem uit te leggen of om een bepaalde recht te vormen.
2. Als een feitelijk referentiekader: vergelijken van feiten en omstandigheden aan
een eerdere oordeel van de rechter.
De wet als argumentatie: de belangrijkste rechtsbron (en daarmee de belangrijkste
bron voor juridische argumenten). Als je standpunt bijvoorbeeld is dat de
koopovereenkomst vernietigd moet worden, dan gebruik je als argument ongetwijfeld
, de wet. Bijvoorbeeld artikel 6:228 of 3:44 BW. Bij het gebruik van de wet in je
argumentatie is het wel van belang dat je op een aantal punten let:
1. Onduidelijke termen en begrippen in voorwaarden: soms staat er bewust
een vage term of begrip in een wettelijke bepaling. In een aantal gevallen
geeft de wetgever zelf een nadere definitie van deze begrippen. Zo niet, dan
moeten we op een andere wijze op zoek naar de bedoeling van de wetgever.
Daarvoor moeten we interpretatiemethoden toepassen. Denk bijvoorbeeld aan
de grammaticale, wetshistorische, systematisch en teleologische
interpretatiemethoden.
2. Wat voor soort recht of voorwaarden zijn het?: het maakt veel uit of de
bepaling waar je je op beroept van dwingend of aanvullend recht is. Dat zie je
met name in het contractenrecht. Als er sprake is van aanvullend recht, dan
mag je als contractspartijen afwijken van datgene wat in de wet staat. De
wettekst is dan alleen bedoeld als aanvulling, voor het geval dat mensen niets
met elkaar hebben afgesproken. Hebben partijen dus wel iets afgesproken,
dan heeft het ook weinig zin om je te beroepen op de wettekst, het
(afwijkende) contract heeft dan voorrang. Bij sommige rechtsgebieden vond
de wetgever het noodzakelijk om de zwakkere partij te beschermen. Denk aan
de werknemer of de huurder. Veel bepalingen in het arbeidsrecht en huurrecht
zijn dwingend van aard. Dat betekent dat het niét zomaar toegestaan is om
daar bij contract van af te wijken. In geval van dwingend recht heeft een
beroep op de wettelijke bepaling zin, deze heeft in immers voorrang boven de
partijafspraak. Ook maakt het uit of de opsomming van de voorwaarden
limitatief is bedoeld (het zijn de enige voorwaarden) of enuntiatief (de
voorwaarden zijn slechts bedoeld als voorbeelden). Aan de hand daarvan kan
je beoordelen of er ruimte is om van de tekst van de wettekst af te wijken.
3. De hiërarchie van wetgeving: omdat hogere wetgeving boven lagere
wetgeving gaat is het wel handig om te beseffen op wat voor soort wetgeving
je een beroep doet. Gaat het om een formele wet, een ministeriële regeling of
een verordening? Als je ter onderbouwing van je standpunt je beroept op een
bepaling in een APV en blijkt dat de formele wet anders luidt, heb je een zwak
argument. Immers, de formele wet staat hoger en heeft voorrang boven de
APV in geval van strijdigheid.
Jurisprudentie als argumentatie: jurisprudentie kan op twee verschillende
manieren gebruikt worden als argumentatie:
1. Jurisprudentie als rechtsbron: de rechtsregels en criteria geformuleerd door de
rechter vormen een rechtsbron. Rechters geven een uitleg aan begrippen en termen
die zijn opgenomen in voorwaarden van wettelijke bepalingen. Zo heeft de Hoge
Raad onder andere uitgelegd wat men moet verstaan onder het begrip “duurzaam
met de grond verenigd” en “in het maatschappelijk verkeer betaamt”. Als je moet
beargumenteren waarom jij van mening bent dat er in jouw geval sprake is van “een
handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt”, een vereiste
van art. 6:162 lid 2 BW, dan ligt het voor de hand dat je je standpunt motiveert met
de uitleg van de Hoge Raad.
Niet alleen de Hoge Raad geeft algemene regels (rechtsregels), ook lagere rechters
kunnen een rechtsvormende taak hebben. Toch zijn juristen hier terughoudend in.
Over het algemeen wordt namelijk meer waarde gehecht aan een uitspraak van de
Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege), dan aan een uitspraak van een rechterlijke