De student kan de specifeke kenmerken van de doelgroep ouderen die hulp nodig
hebben, benoemen en onderscheiden.
Twee groepen ouderen:
- 3e levensfase: acteve ouderdom: 65-80 jaar.
- 4e levensfase: hoge ouderdom: 80+ jaar.
Ouderen hebben te maken met achteruitgang op verschillende gebieden. Deze achteruitgang vindt
plaats op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied -> biopsychosociaal model. Deze achteruitgang kan niet
voorkomen worden, maar de sociaal werker kan wel hulp bieden.
Lichamelijk.
- Het lichaam wordt zwakker en er treden complicates op.
Psychisch.
- De oudere ondervindt lichamelijke achteruitgang. De ouderen moet zich aan deze achteruitgang
aanpassen, dit is een proces van verwerking en acceptate.
- Psychisch vermogen gaat achteruit, een voorbeeld hiervan is de achteruitgang van het
geheugen. Dit kan komen door demente of andere ziekten.
- Reacte op externe factoren: stoppen met werken, pensionering, dood en verlies van
echtgeno(o)t(e), dierbare(n), etc.
Sociaal.
- Lichamelijke en psychische achteruitgang kan invloed hebben op het sociale gebied. Ouderen
hebben de lichamelijke kracht/mogelijkheden niet meer om sociale evenementen te bezoekenof
ze hebben bepaalde angsten o.i.d. ontwikkeld -> sociaal isolement. Minder zingeving.
- Gelukkiger door levenservaring, acceptate van het leven. Waarderen van de kleine dingen.
Bestudeer integraal balansmodel voor goed oud worden op blz. 54-55.
Huis van identteit -> in kaart brengen van de domeinen (holistsche aanpak).
, De student kan werkterreinen, taken en rollen met betrekking tot de hulpverlening
aan ouderen benoemen.
Drie werkterreinen van de sociaal werker:
- Hulpverlening en ondersteuning -> naar mensen toe (outreachend).
- Groepswerk.
- Maatschappelijke opbouw.
Extramuraal: thuiszorg, stchtng welzijn ouderen, alzheimercafé, dagbesteding, etc.
Intramuraal: verzorgings- en verpleeghuizen; somatek en psychogeriatrie, hospices.
Belangrijk! Passende ondersteuning bieden bij zelfredzaamheid en partcipate. Door het versterken van:
- Persoonlijke competentes.
- Sociale netwerken.
- Kwaliteit van de leefomgeving.
En zo bijdragen aan de kwaliteit van leven en goed ouder worden in de eigen woonomgeving.
Taken van de sociaal werker:
- Sociaal werker in de 3e levensfase.
Hulpvragen zijn te overzien, soms zijn er kleine aanpassingen nodig en wat creatviteit. ooral ouderen
stmuleren en laten kennismaken met alle mogelijkheden die er zijn; uitsluitng en isolement voorkomen.
Algemene preventeve maatregelen zijn gericht op het gebied van sociale, educateve en
maatschappelijke partcipate. Hierin staan persoonlijke belangstelling en behoefen centraal.
- Sociaal werker in de 4e levensfase.
In deze fase moet er op veel gebieden iets gebeuren, dit vraagt veel organisatevermogen. Gericht op het
bieden van actvering en zingeving. Het bieden van een gegarandeerd en compleet dienstenpakket in
wonen, zorg en welzijn. Gericht op ontmoetng, ontspanning, zingeving en ontplooiing.
Hulpvragen in de levensdomeinen:
- Lichaam en geest: zelfredzaamheid, gezondheid, verlies, depressie, angst, demente, nachtrust,
sport.
- Sociaal: ontmoetng, contact en mantelzorgondersteuning.
- Materiële situate: huisvestng, aanpassingen, armoede, tuin, sociale zekerheid, kleding,
indicates.
- Arbeid en actviteiten: maatschappelijke partcipate, zelfontplooiing, presteren, arbeid, hobby’s,
vrijwilligerswerk.
- Waarden en inspirate: acceptate beperkingen, zingeving, erbij horen, levensbeschouwing, kunst
en natuur, politek.
Rollen van de sociaal werker: verbinder en matchmaker.
- Kijkt breed: sector en domein overstjgend.
- Soms individueel, soms collectef, soms gebiedsgericht.
- Werkt generatebewust -> inclusie.
- Kijkt naar alledaags functoneren en welke mogelijkheden de omgeving biedt.
- Onderzoekt in elk levensdomein uitdagingen en mogelijkheden.