Hoofdstuk 1: Inkomen en welvaart
§1.1 Uitgaven en inkomsten scholieren:
Behoeften en goederen:
● Behoeften: iets dat je zou willen hebben, uit noodzaak of voor je plezier.
● Primaire goederen: noodzakelijke goederen, zoals voedsel of kleding.
● Secundaire goederen: luxe goederen die je niet persé nodig hebt, zoals een
dagje naar een pretpark of naar de bioscoop of een computerspelletje.
● Stoffelijke goederen/producten: goederen die je kunt aanraken, zoals een
iphone of een fiets.
● onstoffelijke goederen: goederen die je niet kunt aanraken zoals veiligheid,
gezondheid of mooie muziek. Ze hebben meestal te maken met diensten,
zoals de diensten van een politieagent, een dokter of een dj.
➝ Procent = % = 1/100 ➝ 0,01
➝ Promille = % = 1/1000 ➝ 0,001
§1.2 Inkomen en consumptie:
Inkomen en consumptie:
● Consumptie: het kopen van goederen om je behoeften te vervullen.
● Niet-duurzame consumptiegoederen/verbruiksgoederen:
consumptiegoederen waarvan je maar één keer plezier van hebt, zoals
snoep, een drankje in een bar of een ijsje.
● Duurzame consumptiegoederen/gebruiksgoederen: consumptiegoederen
die je meer dan één keer kunt gebruiken, zoals kleding, schoenen of een
iphone.
Gezinsconsumptie:
● Gezinsconsumptie: als je alle bestedingen van een gezin bij elkaar op telt
bereken je de gezinsconsumptie.
● Het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS) verzamelt allerlei gegevens
over de economie. Zo heeft het CBS ook onderzocht of er verschillen zijn
tussen het consumptiegedrag van gezinnen uit de lagere en hogere
inkomensgroepen.
Directe en indirecte ruil:
● Directe ruil/ruil in natura: als goederen tegen goederen worden geruild.
§1.1 Uitgaven en inkomsten scholieren:
Behoeften en goederen:
● Behoeften: iets dat je zou willen hebben, uit noodzaak of voor je plezier.
● Primaire goederen: noodzakelijke goederen, zoals voedsel of kleding.
● Secundaire goederen: luxe goederen die je niet persé nodig hebt, zoals een
dagje naar een pretpark of naar de bioscoop of een computerspelletje.
● Stoffelijke goederen/producten: goederen die je kunt aanraken, zoals een
iphone of een fiets.
● onstoffelijke goederen: goederen die je niet kunt aanraken zoals veiligheid,
gezondheid of mooie muziek. Ze hebben meestal te maken met diensten,
zoals de diensten van een politieagent, een dokter of een dj.
➝ Procent = % = 1/100 ➝ 0,01
➝ Promille = % = 1/1000 ➝ 0,001
§1.2 Inkomen en consumptie:
Inkomen en consumptie:
● Consumptie: het kopen van goederen om je behoeften te vervullen.
● Niet-duurzame consumptiegoederen/verbruiksgoederen:
consumptiegoederen waarvan je maar één keer plezier van hebt, zoals
snoep, een drankje in een bar of een ijsje.
● Duurzame consumptiegoederen/gebruiksgoederen: consumptiegoederen
die je meer dan één keer kunt gebruiken, zoals kleding, schoenen of een
iphone.
Gezinsconsumptie:
● Gezinsconsumptie: als je alle bestedingen van een gezin bij elkaar op telt
bereken je de gezinsconsumptie.
● Het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS) verzamelt allerlei gegevens
over de economie. Zo heeft het CBS ook onderzocht of er verschillen zijn
tussen het consumptiegedrag van gezinnen uit de lagere en hogere
inkomensgroepen.
Directe en indirecte ruil:
● Directe ruil/ruil in natura: als goederen tegen goederen worden geruild.