OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen
Hoofdstuk 3 Waarnemen van het zelf en anderen
3.1 Ontwikkeling van het zelfbeeld
Zelfbeeld
Kennis van de eigen kenmerken en capaciteiten.
Deze worden pas in het zelfbeeld opgenomen als ze kenmerkend zijn, dus over
de persoon zelf zichtbaar.
Hierin zijn twee niveaus te onderscheiden:
1. Algemene en moeilijke te veranderen eigenschappen:
Het gaat hierbij om algemene kenmerken zoals traag, slim, terughoudend,
energiek of driftig.
Deze eigenschappen hebben grotendeels te maken met aangeboren
persoonskenmerken (temperament).
2. Specifeke eigenschappen
Dit zijn eigenschappen die wat meer veranderlijk zijn en deels kunnen
worden aan- of afgeleerd.
zoals specifieke vaardigheden en houding zoals een muziekinstrument
bespelen of sporten.
Zelfherkenning
Naarmate het kind zichzelf beter leert onderscheiden van zijn sociale omgeving
kan het een vollediger zelfbeeld ontwikkelen. Het is de ontdekking van een
verschil tussen ik en een ander.
Theory of mind
Het idee dat het denken en voelen van de ander verschilt dan dat van henzelf.
Zelfwaardering
Waardering van de eigen kenmerken en capaciteiten.
Self-effafy
Het geloof in de eigen mogelijkheden om succes te hebben/ resultaten te kunnen
bereiken.
AANTEKENING
Ontwikkeling van het zelfbeeld
Zelfbeeld bestaat uit:
- Kennis van eigenschappen (positief en negatief)
- Waardering (positief of negatief) van die eigenschappen
Het zelfbeeld kan positief en negatief veranderen:
- Positief zelfbeeld leidt tot hoge self-efficacy
- Negatief zelfbeeld leidt tot lage self-efficacy
3.2 Vorming van het zelfbeeld
Een leerling kan van verschillende bronnen van informatie gebruikmaken om
iets over zichzelf en zijn eigen kenmerken en kwaliteiten te weten te komen:
- Hij/zij kan iets leren door naar zichzelf te kijken
- Hij/zij kan letten op wat anderen over hem/haar zeggen
- Hij/zij kan kijken hoe anderen presteren en zichzelf vergelijken
- Zelf refecteren over de prestaties
1
, OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen
Hoofdstuk 3 Waarnemen van het zelf en anderen
3.2.1 Waarneming van het eigen gedrag
Zelfwaarneming
Het opgroeiende kind is in staat om naar het eigen gedrag te kijken en daar
conclusies uit te trekken over de eigen kenmerken en mogelijkheden.
3.2.2 Reafties van anderen
Looking-glass self
De spiegel die anderen voorhouden, waardoor een beeld gekregen wordt van de
eigen kenmerken en capaciteiten.
Het gedrag van leraren is voor leerlingen een belangrijke bron van informatie
voor de vorming van hun zelfbeeld.
3.2.3 Sofiale vergelijking
Sofiale vergelijking
Een beeld krijgen van de eigen kenmerken en capaciteiten door die te vergelijken
met de kenmerken en capaciteit van anderen.
Vergelijkingspatroon
Bij de vaststelling hoe goed of slecht we zijn, is de persoon met wie we ons
vergelijken van belang. Er moet vergelijken worden met een realistisch persoon,
bijvoorbeeld je team genoot en niet een topsporter.
Opwaartse vergelijking
Sociale vergelijking met personen die beter zijn. Hierdoor wordt je juist gedreven
om je sport nog beter uit te oefenen.
Neerwaartse vergelijking
Sociale vergelijking met personen die slechter zijn. Hierdoor lijken de eigen
prestaties beter.
Vergelijkingsdimensie
Het vermijden van een negatief zelfbeeld kan er ook voor zorgen dat mensen
zich vooral vergelijken op vaardigheden of kenmerken, waarvan ze weten dat die
redelijk goed zijn en zich niet verggelijken op eigenschappen waarvan ze weten
dat ze daar slecht vanaf komen.
De behoefte aan een positief zelfbeeld zorgt ervoor dat mensen zeer selectief
hun vergelijkingspersonen kiezen.
Referentiegroep
Groep mensen die gebruikt wordt om de eigen mening of capaciteiten aan te
toetsen.
Vaak een primaire groep bijvoorbeeld familie en vrienden.
Kinderen hebben een sterke neiging om hun zelfbeeld op te bouwen door
vergelijking met andere mensen. Ze kiezen daarvoor mensen die ongeveer in
dezelfde positie verkeren. Het doel van de vergelijking lijkt vooral te zijn het
handhaven van het zelfrespect. Als dat niet kan door vergelijking met beteren of
2
Hoofdstuk 3 Waarnemen van het zelf en anderen
3.1 Ontwikkeling van het zelfbeeld
Zelfbeeld
Kennis van de eigen kenmerken en capaciteiten.
Deze worden pas in het zelfbeeld opgenomen als ze kenmerkend zijn, dus over
de persoon zelf zichtbaar.
Hierin zijn twee niveaus te onderscheiden:
1. Algemene en moeilijke te veranderen eigenschappen:
Het gaat hierbij om algemene kenmerken zoals traag, slim, terughoudend,
energiek of driftig.
Deze eigenschappen hebben grotendeels te maken met aangeboren
persoonskenmerken (temperament).
2. Specifeke eigenschappen
Dit zijn eigenschappen die wat meer veranderlijk zijn en deels kunnen
worden aan- of afgeleerd.
zoals specifieke vaardigheden en houding zoals een muziekinstrument
bespelen of sporten.
Zelfherkenning
Naarmate het kind zichzelf beter leert onderscheiden van zijn sociale omgeving
kan het een vollediger zelfbeeld ontwikkelen. Het is de ontdekking van een
verschil tussen ik en een ander.
Theory of mind
Het idee dat het denken en voelen van de ander verschilt dan dat van henzelf.
Zelfwaardering
Waardering van de eigen kenmerken en capaciteiten.
Self-effafy
Het geloof in de eigen mogelijkheden om succes te hebben/ resultaten te kunnen
bereiken.
AANTEKENING
Ontwikkeling van het zelfbeeld
Zelfbeeld bestaat uit:
- Kennis van eigenschappen (positief en negatief)
- Waardering (positief of negatief) van die eigenschappen
Het zelfbeeld kan positief en negatief veranderen:
- Positief zelfbeeld leidt tot hoge self-efficacy
- Negatief zelfbeeld leidt tot lage self-efficacy
3.2 Vorming van het zelfbeeld
Een leerling kan van verschillende bronnen van informatie gebruikmaken om
iets over zichzelf en zijn eigen kenmerken en kwaliteiten te weten te komen:
- Hij/zij kan iets leren door naar zichzelf te kijken
- Hij/zij kan letten op wat anderen over hem/haar zeggen
- Hij/zij kan kijken hoe anderen presteren en zichzelf vergelijken
- Zelf refecteren over de prestaties
1
, OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen
Hoofdstuk 3 Waarnemen van het zelf en anderen
3.2.1 Waarneming van het eigen gedrag
Zelfwaarneming
Het opgroeiende kind is in staat om naar het eigen gedrag te kijken en daar
conclusies uit te trekken over de eigen kenmerken en mogelijkheden.
3.2.2 Reafties van anderen
Looking-glass self
De spiegel die anderen voorhouden, waardoor een beeld gekregen wordt van de
eigen kenmerken en capaciteiten.
Het gedrag van leraren is voor leerlingen een belangrijke bron van informatie
voor de vorming van hun zelfbeeld.
3.2.3 Sofiale vergelijking
Sofiale vergelijking
Een beeld krijgen van de eigen kenmerken en capaciteiten door die te vergelijken
met de kenmerken en capaciteit van anderen.
Vergelijkingspatroon
Bij de vaststelling hoe goed of slecht we zijn, is de persoon met wie we ons
vergelijken van belang. Er moet vergelijken worden met een realistisch persoon,
bijvoorbeeld je team genoot en niet een topsporter.
Opwaartse vergelijking
Sociale vergelijking met personen die beter zijn. Hierdoor wordt je juist gedreven
om je sport nog beter uit te oefenen.
Neerwaartse vergelijking
Sociale vergelijking met personen die slechter zijn. Hierdoor lijken de eigen
prestaties beter.
Vergelijkingsdimensie
Het vermijden van een negatief zelfbeeld kan er ook voor zorgen dat mensen
zich vooral vergelijken op vaardigheden of kenmerken, waarvan ze weten dat die
redelijk goed zijn en zich niet verggelijken op eigenschappen waarvan ze weten
dat ze daar slecht vanaf komen.
De behoefte aan een positief zelfbeeld zorgt ervoor dat mensen zeer selectief
hun vergelijkingspersonen kiezen.
Referentiegroep
Groep mensen die gebruikt wordt om de eigen mening of capaciteiten aan te
toetsen.
Vaak een primaire groep bijvoorbeeld familie en vrienden.
Kinderen hebben een sterke neiging om hun zelfbeeld op te bouwen door
vergelijking met andere mensen. Ze kiezen daarvoor mensen die ongeveer in
dezelfde positie verkeren. Het doel van de vergelijking lijkt vooral te zijn het
handhaven van het zelfrespect. Als dat niet kan door vergelijking met beteren of
2