OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen Hoofdstuk 2 Leren
2.1 Rijping en leren
2.1.1 Fysieke en neurologische rijping
Rijping
Biologische ontwikkeling op het fysieke en neurologische valk die voor alle
mensen in dezelfde volgorde verloopt.
Rijping is een proces op twee verschillende niveaus:
1. Fysieke rijping
Het lichaam groeit van klein naar groot. De lichamelijke groei zorgt ervoor dat
het hoofd, de romp, de armen en de benen groter worden, tot het lichaam zijn
volwassen vorm heeft aangenomen.
2. Neurologische rijping
Het zenuwstelsel groeit niet alleen in omvang, maar ook van eenvoudig naar
complex. De neuronen, die voor prikkeloverdracht zorgen, zullen zich zodanig
ontwikkelen (myeliniseren), dat de overdracht sneller gaat verlopen.
Rijping is een noodzakelijke voorwaarde voor het opgroeiende kind om zich
verder te ontwikkelen tot een zelfstandig wezen. Het schept de lichamelijke en
neologische condities die nodig zijn om bepaalde vaardigheden te leren.
Leren
De uitbreiding van vaardigheden, opvattingen en inzichten door ervaring en
oefening.
2.1.2 Rijping bij jonge kinderen
Er zijn verschillende gebieden waarbij rijping een rol speelt:
1. Psychomotorisch leren
Hier gaat het om de verwerving van lichamelijke bewegingen zoals leren kruipen,
zitten, staan, lopen gooien en fetsen. Hierbij zijn vaste stadia te onderkennen:
Een kind kan pas staan vanaf ongeveer acht maanden en lopen vanaf ongeveer
vijftien maanden.
2. Cognitief leren
Hier gaat het om leren praten, lezen, schrijven, rekenen, feiten onthouden,
wetmatigheden onderkennen en problemen oplossen. Ook hierbij zijn
verschillende stadia te onderscheiden. In het eerste levensjaar is een kind nog
niet in staat om te praten.
3. Sociaal afectief leren
Hier gaat het om de ontwikkeling van het gevoelsleven en van de houding van
het kind tegenover anderen. In het eerste levensjaar heeft het kind nog geen
idee van goed en kwaad, het heeft nog geen moreel beef. In het tweede jaar
leert het ‘bah vies’, ‘mag niet’, en in het derde jaar leert het schuld en schaamte
te kennen.
AANTEKENING
1
, OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen Hoofdstuk 2 Leren
Leren, rijpen en ontwikkelen
Rijpen en leren beïnvloeden elkaar en bepalen gezamenlijk de ontwikkeling van
het opgroeiende kind.
Verschillende vormen van leren:
1. Psychomotorisch leren: ;eren met je handen een bal gooien
2. Sociaal – affectief leren: leren met je hart vakken zoals maatschappij
3. Cognitief leren: leren met je hoofd woordjes leren
Het kan ook zo zijn dat je alle drie deze vormen tegelijk toepast. Dit is
bijvoorbeeld zo bij skiën;
1. Je leert de ski techniek;
2. Je leert opletten op de piste voor andere personen;
3. Je leert de techniek toe te passen
2.1.3 De puberteit als rijpingsfase
Puberteit
Een versnelling van de groei en een verhoogde productie van
geslachtshormonen, die plaatsvindt in de leeftijdsperiode van ongeveer twaalf tot
en met vijftien jaar.
In de puberteitsfase doen zich drie verschillende processen voor:
1. Geslachtshormonen
Er vindt een verhoging van de productie van geslachtshormonen plaats. Die
verhoging van productie wordt aangestuurd door de hypofyse
(hormoonproducerende klier).
2. Groeispurt
Meisjes en jongens worden langer, aan het einde van die groeispurt hebben
pubers hun volwassen lengte bereikt.
3. Geslachtsgebonden groei
Groei van de geslachtskenmerken.
Identiteit
In de puberteit is de vraag ‘Wie ben ik?’ extra relevant. De vorming van een
eigen identiteit komt vooral in het begin van de puberteit, tijdens de eerste jaren
in het VO, tot stand.
Autonomie
‘Het zelf opleggen van wetten’. De puber zal zich willen ontworstelen aan de
afhankelijk van het gezin en de school, het streeft dan dus naar autonomie.
Motivatie
Doordat dat pubers zo druk zijn met zich te ontwikkelen en het streven naar
autonomie, is vaak de motivatie, de bereidheid tot het verrichten van bepaald
gedrag, tijdelijk verdwenen.
Peergroup
De leeftijdsgenoten.
2.2 Socialisatie en leren
2
2.1 Rijping en leren
2.1.1 Fysieke en neurologische rijping
Rijping
Biologische ontwikkeling op het fysieke en neurologische valk die voor alle
mensen in dezelfde volgorde verloopt.
Rijping is een proces op twee verschillende niveaus:
1. Fysieke rijping
Het lichaam groeit van klein naar groot. De lichamelijke groei zorgt ervoor dat
het hoofd, de romp, de armen en de benen groter worden, tot het lichaam zijn
volwassen vorm heeft aangenomen.
2. Neurologische rijping
Het zenuwstelsel groeit niet alleen in omvang, maar ook van eenvoudig naar
complex. De neuronen, die voor prikkeloverdracht zorgen, zullen zich zodanig
ontwikkelen (myeliniseren), dat de overdracht sneller gaat verlopen.
Rijping is een noodzakelijke voorwaarde voor het opgroeiende kind om zich
verder te ontwikkelen tot een zelfstandig wezen. Het schept de lichamelijke en
neologische condities die nodig zijn om bepaalde vaardigheden te leren.
Leren
De uitbreiding van vaardigheden, opvattingen en inzichten door ervaring en
oefening.
2.1.2 Rijping bij jonge kinderen
Er zijn verschillende gebieden waarbij rijping een rol speelt:
1. Psychomotorisch leren
Hier gaat het om de verwerving van lichamelijke bewegingen zoals leren kruipen,
zitten, staan, lopen gooien en fetsen. Hierbij zijn vaste stadia te onderkennen:
Een kind kan pas staan vanaf ongeveer acht maanden en lopen vanaf ongeveer
vijftien maanden.
2. Cognitief leren
Hier gaat het om leren praten, lezen, schrijven, rekenen, feiten onthouden,
wetmatigheden onderkennen en problemen oplossen. Ook hierbij zijn
verschillende stadia te onderscheiden. In het eerste levensjaar is een kind nog
niet in staat om te praten.
3. Sociaal afectief leren
Hier gaat het om de ontwikkeling van het gevoelsleven en van de houding van
het kind tegenover anderen. In het eerste levensjaar heeft het kind nog geen
idee van goed en kwaad, het heeft nog geen moreel beef. In het tweede jaar
leert het ‘bah vies’, ‘mag niet’, en in het derde jaar leert het schuld en schaamte
te kennen.
AANTEKENING
1
, OLO – Oriëntatie op het vak van onderwijzen Hoofdstuk 2 Leren
Leren, rijpen en ontwikkelen
Rijpen en leren beïnvloeden elkaar en bepalen gezamenlijk de ontwikkeling van
het opgroeiende kind.
Verschillende vormen van leren:
1. Psychomotorisch leren: ;eren met je handen een bal gooien
2. Sociaal – affectief leren: leren met je hart vakken zoals maatschappij
3. Cognitief leren: leren met je hoofd woordjes leren
Het kan ook zo zijn dat je alle drie deze vormen tegelijk toepast. Dit is
bijvoorbeeld zo bij skiën;
1. Je leert de ski techniek;
2. Je leert opletten op de piste voor andere personen;
3. Je leert de techniek toe te passen
2.1.3 De puberteit als rijpingsfase
Puberteit
Een versnelling van de groei en een verhoogde productie van
geslachtshormonen, die plaatsvindt in de leeftijdsperiode van ongeveer twaalf tot
en met vijftien jaar.
In de puberteitsfase doen zich drie verschillende processen voor:
1. Geslachtshormonen
Er vindt een verhoging van de productie van geslachtshormonen plaats. Die
verhoging van productie wordt aangestuurd door de hypofyse
(hormoonproducerende klier).
2. Groeispurt
Meisjes en jongens worden langer, aan het einde van die groeispurt hebben
pubers hun volwassen lengte bereikt.
3. Geslachtsgebonden groei
Groei van de geslachtskenmerken.
Identiteit
In de puberteit is de vraag ‘Wie ben ik?’ extra relevant. De vorming van een
eigen identiteit komt vooral in het begin van de puberteit, tijdens de eerste jaren
in het VO, tot stand.
Autonomie
‘Het zelf opleggen van wetten’. De puber zal zich willen ontworstelen aan de
afhankelijk van het gezin en de school, het streeft dan dus naar autonomie.
Motivatie
Doordat dat pubers zo druk zijn met zich te ontwikkelen en het streven naar
autonomie, is vaak de motivatie, de bereidheid tot het verrichten van bepaald
gedrag, tijdelijk verdwenen.
Peergroup
De leeftijdsgenoten.
2.2 Socialisatie en leren
2