beroepen’ - Derde druk
Zelf samen gesteld dus geen bestaand tentamen, mogelijk geven de
vragen wel een richtlijn wat je kunt verwachten
, 1. Waar gaan morele vragen over?
a. Wanneer mensen juist handelen.
b. De manier waarop mensen zouden moeten handelen.
c. De moraal ergens van.
d. Wanneer mensen onjuist handelen.
2. We gaan op een bepaalde manier met mensen om met wie we verbonden zijn. Dit gaat
over het ………….
a. geweldsmoraal
b. samenwerkingsmoraal
c. vriendschapsmoraal
d. hechtingsmoraal
3. Juist of onjuist?
1. Waarden zijn begrippen die omschrijven wat mensen waardevol vinden en waarnaar zij
streven.
2. Normen zijn handelingsvoorschriften.
3. Deugden zijn vaste, goede eigenschappen van een persoon.
a. 1 is juist, 2 & 3 zijn onjuist
b. 1 & 2 zijn juist, 3 is onjuist
c. 1 & 3 zijn juist, 2 is onjuist
d. Alle zijn juist
4. Ethiek die de fundamentele morele vraagstukken bestudeerd, noemt men ook wel….
a. Descriptieve ethiek
b. Prescriptieve ethiek
c. Beroepsethiek
d. Meta-ethiek
5. Het normatief ethisch relativisme houdt in dat…
a. je geen universele morele regels kunt vaststellen.
b. in elke cultuur andere normen en waarden gelden.
c. overal dezelfde waarden gelden.
d. bepaalde centrale waarden overal moeten worden aanvaard.
6. Juist of onjuist?
1. Ethisch handelen veronderstelt een deterministische kijk op de mens.
2. Indeterministen gaan ervan uit dat de mens gedeeltelijk vrij is en gedeeltelijk bepaald.
a. 1 is juist, 2 is onjuist
b. 1 is onjuist, 2 is juist
c. beiden zijn juist
d. beiden zijn onjuist
7. Negatieve vrijheid wil zeggen dat:
a. Je geen vrijheid hebt.
b. Je vrij bent bepaalde doelen te bereiken.
c. Je door anderen wordt tegengehouden in het bereiken van bepaalde doelen.
d. Je niet door anderen wordt gehinderd in het doen wat je wilt.
8. Rechtvaardigheid legt de verbinding tussen…
a. vrijheid en gelijkheid
b. vrijheid en verantwoordelijkheid
c. eerlijkheid en gelijkheid
d. eerlijkheid en verantwoordelijkheid
9. Het stadia waarin de actor afstand neemt van de feitelijke situatie en zelfstandig kan
bedenken wat de juiste normen en waarden zijn is een voorbeeld van het….
a. Preconventioneel niveau
b. Conventioneel niveau
c. Postconventioneel niveau
d. Abstract niveau