Beroep Sociaal werk:
Leerdoelen:
1. De student benoemt de missie en de meerwaarde van het sociaal werk, zodanig dat hij het
bestaansrecht kan aangeven en een relatie kan leggen naar de eigen motivatie om sociaal werker
te worden.
2. De student benoemt een maatschappelijk vraagstuk dat speelt rondom de doelgroep die hem
fascineert, zodanig dat hij kan uitleggen hoe hij als sociaal werker daar het verschil in kan maken.
Week 1:
POOMA:
P= Present: Sociaal werkers zijn betrokken, nabij en hebben inlevingsvermogen in andere. De cliënt
op nummer 1, ze kijken zonder een oordeel.
O= Ondernemend: Handelt moedig en met lef, leggen verbindingen en staan open voor uitdagingen
en met doorzettingsvermogen overwinnen ze dit ook.
O= Onafhankelijk denkend: Een eigen visie, kritisch denkend, onderzoekend vermogen. Nieuwsgierig
naar de wereld en analyseren deze vanuit de basiskennis. Denken niet vanuit hokjes, maar hebben
wel een eigen mening.
M= Maatschappelijk geëngageerd: Wetend wat er speelt, lokaal, nationaal en internationaal.
Werken vanuit een politiek bewustzijn en zijn maatschappelijk kritisch.
A= Authentiek: Oog voor eigen kwaliteiten en kwetsbaarheden, blijven ontwikkelen en kwetsbaar
opstellen ook naar de cliënt. SW haalt het beste uit zichzelf.
, Week 2:
4 posities van het sociaal werk:
1. Erboven (jaren 1900) -> confessionalisme (religieuze waarden,
naastenliefde, BV: kerken organisaties gekoppeld aan geloof,
voorstander particulier initiatief.)
(Paternalistisch; je staat boven iemand, en bepaalt over diegene.) Je probeert degene die hulp nodig
heeft te benaderen en je legt deze persoon uit hoe iets beter kan. Je gaat iemand als het ware
‘opvoeden’/ als vader een kind willen opvoeden
Beschaaf de onbeschaafde: dus vroeger hielpen de rijke mensen de arme.
Paternalisme
2. Ernaast (jaren 60) -> socialisme (economische gelijkheid voor alle
mensen, voorstander van overheid VZS.)
De cliënt ziet er hetzelfde uit als de hulpverlener. Je bent dus gelijk als de client.
Je stelt vragen om antwoorden te krijgen/ je bent gelijk/ hoe kunnen wij jou helpen.
3. Er vandaan (jaren 80) -> liberalisme (eigen verantwoordelijkheid
voor leven en zorg, voorstander markt)
Je helpt de client op een zakelijkere manier, met grote bedrijven in de randstad (ggz); waar de client
op afspraak moest komen (het wordt harder en zakelijker)
Jij komt naar ons toe met een probleem en wil je niet geholpen worden, dan word je niet geholpen
(motivatie is een lastige positie; want de client moet naar jou toe komen.)
Bemoeizorg
4. Erop af! -> daar zitten we nu in; We zitten nu in het midden van
de welfare triangle.
Wij gaan naar de client toe: kijken hoe diegene functioneert in; je gaat naar die persoon toe, om te
kijken wat er nu precies helpt.
Leerdoelen:
1. De student benoemt de missie en de meerwaarde van het sociaal werk, zodanig dat hij het
bestaansrecht kan aangeven en een relatie kan leggen naar de eigen motivatie om sociaal werker
te worden.
2. De student benoemt een maatschappelijk vraagstuk dat speelt rondom de doelgroep die hem
fascineert, zodanig dat hij kan uitleggen hoe hij als sociaal werker daar het verschil in kan maken.
Week 1:
POOMA:
P= Present: Sociaal werkers zijn betrokken, nabij en hebben inlevingsvermogen in andere. De cliënt
op nummer 1, ze kijken zonder een oordeel.
O= Ondernemend: Handelt moedig en met lef, leggen verbindingen en staan open voor uitdagingen
en met doorzettingsvermogen overwinnen ze dit ook.
O= Onafhankelijk denkend: Een eigen visie, kritisch denkend, onderzoekend vermogen. Nieuwsgierig
naar de wereld en analyseren deze vanuit de basiskennis. Denken niet vanuit hokjes, maar hebben
wel een eigen mening.
M= Maatschappelijk geëngageerd: Wetend wat er speelt, lokaal, nationaal en internationaal.
Werken vanuit een politiek bewustzijn en zijn maatschappelijk kritisch.
A= Authentiek: Oog voor eigen kwaliteiten en kwetsbaarheden, blijven ontwikkelen en kwetsbaar
opstellen ook naar de cliënt. SW haalt het beste uit zichzelf.
, Week 2:
4 posities van het sociaal werk:
1. Erboven (jaren 1900) -> confessionalisme (religieuze waarden,
naastenliefde, BV: kerken organisaties gekoppeld aan geloof,
voorstander particulier initiatief.)
(Paternalistisch; je staat boven iemand, en bepaalt over diegene.) Je probeert degene die hulp nodig
heeft te benaderen en je legt deze persoon uit hoe iets beter kan. Je gaat iemand als het ware
‘opvoeden’/ als vader een kind willen opvoeden
Beschaaf de onbeschaafde: dus vroeger hielpen de rijke mensen de arme.
Paternalisme
2. Ernaast (jaren 60) -> socialisme (economische gelijkheid voor alle
mensen, voorstander van overheid VZS.)
De cliënt ziet er hetzelfde uit als de hulpverlener. Je bent dus gelijk als de client.
Je stelt vragen om antwoorden te krijgen/ je bent gelijk/ hoe kunnen wij jou helpen.
3. Er vandaan (jaren 80) -> liberalisme (eigen verantwoordelijkheid
voor leven en zorg, voorstander markt)
Je helpt de client op een zakelijkere manier, met grote bedrijven in de randstad (ggz); waar de client
op afspraak moest komen (het wordt harder en zakelijker)
Jij komt naar ons toe met een probleem en wil je niet geholpen worden, dan word je niet geholpen
(motivatie is een lastige positie; want de client moet naar jou toe komen.)
Bemoeizorg
4. Erop af! -> daar zitten we nu in; We zitten nu in het midden van
de welfare triangle.
Wij gaan naar de client toe: kijken hoe diegene functioneert in; je gaat naar die persoon toe, om te
kijken wat er nu precies helpt.