1. Wat is het werkgeheugen?
a. Lange termijn geheugen
b. Korte termijn geheugen
c. Zintuigelijk geheugen
2. Wat is de rol van de poortwachtersfuncte?
a. Geef informate van het ziintuigelijk geheugen naar het lange termijn geheugen.
b. Geef informate van het ziintuigelijk geheugen naar het korte termijn geheugen.
c. Geef informate van het korte geheugen naar het lange termijn geheugen.
3. Wat is uitgewerkte herhaling?
a. Het herhalen van stof om het op te slaan in het lange termijn geheugen.
b. Het koppelen van stof aan al bestaande informate om het op te slaan in het lange
termijn geheugen.
c. Het herhalen van stof én koppelen aan al bestaande informate om het op te slaan in het
lange termijn geheugen.
4. Waar ziorgt onderhoudsherhaling voor?
a. Herhaling van stof om het op te slaan in het lange termijn geheugen.
b. Herhaling van stof om het op te slaan in het korte termijn geheugen.
c. Herhaling van stof om het langer vast te houden in het korte termijn geheugen.
5. Kies de juiste kenmerken van het lange termijn geheugen.
a. Het bestaat uit mentale concepten, begrippen die bij elkaar liggen worden sneller
herinnerd, heef een onbeperkte capaciteit, bevat objecteve feiten.
b. Het bestaat uit mentale concepten, begrippen die bij elkaar liggen worden sneller
herinnerd, heef een onbeperkte capaciteit, bevat gekleurde herinneringen.
c. Het bestaat uit mentale concepten, begrippen die bij elkaar liggen worden sneller
herinnerd, heef een beperkte capaciteit, bevat gekleurde herinneringen.
6. Wie beschrijf de vier categorieën van leren volgens het acteve leerproces?
a. Bolhuis
b. Pavlov
c. Thorndicke
7. Reproducte, begrip, integrate en toepassing noemen wij?
a. De vier categorieën van leren.
b. De onderwijsleertheorie.
c. Vier niveaus van verwerving.
8. Vier van de vijf genoemde categorieën van leren ziijn juist. Welke is NIET juist.
a. Leren door theorie te verwerken (maken van opdrachten).
b. Leren door het lezien van stof.
c. Leren door directe ervaring te ondergaan/opdoen.
d. Leren door actef na te denken voor, tjdens of na het handelen.
e. Leren door sociale interacte.
9. Het verwerven en verwerken van informate in het brein noemen wij?
a. Het cognitvisme.
b. Behavioristsche theorie.
c. Operant conditoneren.
10. Klassieke conditonering is:
a. Gedrag wordt vertoont vanuit de basis van de mens en wordt versterkt vanuit prikkels.
b. Gedrag wordt vertoont door de basis van de mens en is niet veranderbaar.