Leerdoel 1: Ik kan uitleggen wat de verschillende hersenmodellen zijn.
Refexmodel:e
Ontvangen van prikkels door de zintuigen (sensoren) → verwerking door centrale
zenuwstelsel (perceptee emotee arousale contexte cognitee geheugen) → reacte door spieren
De hersenen verwerken input (links) tot output (rechts). Over de perifere processen (A, B, C en X, Y, Z)
is relatef veel bekend. Veel miinder weten we van de processen daar tussen-in: de relate tussen de
input (stmiulus) en de output (respons) is
onvoorspelbaar (‘vraagteken’) en hangt van vele factoren af: percepte, arousal/aandacht, geheugen,
emiote, cognite, context
Voorbeelden:e
Zie ik het licht wel goed? (percepteewaarneming)
Heb ik haast? (emote)
Ben ik suf of juist hyperalert? (arousalealertheid)
Is er verkeer te zien? (context)
Is er een politeauto in de buurt? (cognite)
Is het een bekend of onbekend stoplicht? (geheugen)
→ al deze factoren samien spelen een rol bij miijn beslissing tot handelen
Het refex model is eigenlijk een determiinitsch miodel: prikkel is bepalend voor een min of meer
stereotepe reacte
Hierachisch model:e
Brein is opgebouwd uit 3 niveaus die na elkaar in de evolute geleidelijk zijn ontstaan
Archiniveau:e arousal en refexen
Paleoniveau:e emotes en expressie van emotese geautomatseerde bewegingen
Neoniveau (hoogste):e cognitee taale bewuste nauwkeurige actes en perceptes
Je leert het in neoniveaue en vervolgens als in paleoniveau (geautomatseerd)
→ hogeren niveaus overheersen de lage niveaus
→ prikkel wordt parallel via alle drie niveaus verwerkt
Voorbeeld:e
Archi:e je ontwaakt uit je sufeid en richt refexmatg je ogen in de richtng van het geluid;
, Paleo:e je lacht en slaakt een kreet bij het zien van deze oude bekende;
Neo:e je vraagt je af wat deze vriend hier te zoeken heefe en je informeert daarnaar
Aangedaan bij CVA
Chaosmodel:e
Prohabilistsch model (prohabiliteit waarschijnlijkheid)e tegenhanger deterministsch model
Centrale zenuwstelsel chaos van verbindingen
Zenuwnetwerk produceert spontane neuronale actviteit (bij afwezigheid van externe
prikkels) die statsch fuctueert
Externe prikkels (sensorisch aanbod) kunnen deze basisactviteit verhogen → meer beweging
Aard respons niet afankeling van stmuluse afankelijk van vele factoren in en buiten het
zenuwstelsel (reacte nauwlijks voorspelbaar)
Stmulus-perceptemodel:e
→ stmulus wordt in enkele stappen omgezet in een bewuste gewaarwording (percepte)
Herkennenewaarnemen van elementaire aspecten (bv. kleur- en vormrecepte)
Categorieseren van het object
Specifeke herkenning van de object
herkenningsstoornis = agnosie (CVA)
Intente-actemodel:e
→ intente (wil) wordt via enkele stappen omgezet in handelen
1. Keuze van adequaat handeling
2. Programmeren van de handeling (welke bewegingen zijn wanneer nodig?)
3. Uitvoering van de handeling door de spieren
apraxie:e stoornis van het doelmatg handelen
→ Patiënt zou misschien van alles kunnene maar onderneemt gewoon niets
→ De keuze van het gedrag gaat fout
Refexmodel:e
Ontvangen van prikkels door de zintuigen (sensoren) → verwerking door centrale
zenuwstelsel (perceptee emotee arousale contexte cognitee geheugen) → reacte door spieren
De hersenen verwerken input (links) tot output (rechts). Over de perifere processen (A, B, C en X, Y, Z)
is relatef veel bekend. Veel miinder weten we van de processen daar tussen-in: de relate tussen de
input (stmiulus) en de output (respons) is
onvoorspelbaar (‘vraagteken’) en hangt van vele factoren af: percepte, arousal/aandacht, geheugen,
emiote, cognite, context
Voorbeelden:e
Zie ik het licht wel goed? (percepteewaarneming)
Heb ik haast? (emote)
Ben ik suf of juist hyperalert? (arousalealertheid)
Is er verkeer te zien? (context)
Is er een politeauto in de buurt? (cognite)
Is het een bekend of onbekend stoplicht? (geheugen)
→ al deze factoren samien spelen een rol bij miijn beslissing tot handelen
Het refex model is eigenlijk een determiinitsch miodel: prikkel is bepalend voor een min of meer
stereotepe reacte
Hierachisch model:e
Brein is opgebouwd uit 3 niveaus die na elkaar in de evolute geleidelijk zijn ontstaan
Archiniveau:e arousal en refexen
Paleoniveau:e emotes en expressie van emotese geautomatseerde bewegingen
Neoniveau (hoogste):e cognitee taale bewuste nauwkeurige actes en perceptes
Je leert het in neoniveaue en vervolgens als in paleoniveau (geautomatseerd)
→ hogeren niveaus overheersen de lage niveaus
→ prikkel wordt parallel via alle drie niveaus verwerkt
Voorbeeld:e
Archi:e je ontwaakt uit je sufeid en richt refexmatg je ogen in de richtng van het geluid;
, Paleo:e je lacht en slaakt een kreet bij het zien van deze oude bekende;
Neo:e je vraagt je af wat deze vriend hier te zoeken heefe en je informeert daarnaar
Aangedaan bij CVA
Chaosmodel:e
Prohabilistsch model (prohabiliteit waarschijnlijkheid)e tegenhanger deterministsch model
Centrale zenuwstelsel chaos van verbindingen
Zenuwnetwerk produceert spontane neuronale actviteit (bij afwezigheid van externe
prikkels) die statsch fuctueert
Externe prikkels (sensorisch aanbod) kunnen deze basisactviteit verhogen → meer beweging
Aard respons niet afankeling van stmuluse afankelijk van vele factoren in en buiten het
zenuwstelsel (reacte nauwlijks voorspelbaar)
Stmulus-perceptemodel:e
→ stmulus wordt in enkele stappen omgezet in een bewuste gewaarwording (percepte)
Herkennenewaarnemen van elementaire aspecten (bv. kleur- en vormrecepte)
Categorieseren van het object
Specifeke herkenning van de object
herkenningsstoornis = agnosie (CVA)
Intente-actemodel:e
→ intente (wil) wordt via enkele stappen omgezet in handelen
1. Keuze van adequaat handeling
2. Programmeren van de handeling (welke bewegingen zijn wanneer nodig?)
3. Uitvoering van de handeling door de spieren
apraxie:e stoornis van het doelmatg handelen
→ Patiënt zou misschien van alles kunnene maar onderneemt gewoon niets
→ De keuze van het gedrag gaat fout