Vocabulario
El conde = de graaf
La condesa = de gravin
La oración = het gebed
El obispo = de bisschop
El pecado = de zonde
El milagro = het wonder
El convento = het klooster
La capilla = de kapel
Rezar = bidden
El cura = pastor, geestelijke, priester
El sacerdote = priester
Sagrado, a = heilig
La sacerdotisa = de priesteres
Pecar = zondigen
El paraíso = het paradijs
La espada = zwaard
El duque = hertog
La carabela = het karveel
La confirmación = vormsel
La vergüenza = schaamte
Enfadarse = boos worden
Avisar = waarschuwen
La lástima = medelijden
Lamentar = betreuren
imparcial = onpartijdig, objectief
Fracasar = falen, mislukken
Aprovecharse = profiteren, uitbuiten
El contrabando = de smokkel
Conseguir = bereiken, erin slagen
Desde luego = natuurlijk, uiteraard
Por cierto = overigens, trouwens
,por decirlo así = bij wijze van spreken
o sea = of te wel, dat wil ik zeggen
rechazar = afwijzen
renunciar = afstand doen
al revés = averechts, omgekeerd
afectuoso, a = hartelijk
decepcionar = teleurstellen
envidiar = benijden
encantar = verukken, bekoren
asustarse = schrikken
soportar = dulden, verdragen
tener mal genio = opvliegend zijn
el rencor = wrok , rancune
la rabia = woede
fastidiar = ergeren
tener celos = jaloers zijn
enhorabuena = gefeliciteerd
exigir = eisen, verlangen
conviene = men moet, het is aan te raden
socorro = help
por si acaso = voor het geval dat
valiente = moedig, dapper
prudente = voorzichtig
terco,a = koppig
avaro,a = hebzuchtig, gierig
el, la cobarde = lafaard
confundir = verwisselen, verwarren
el pretexto = smoes
el, la ratero,a = zakkenroller
estafar = bedriegen, oplichten
atreverse = wagen, durven
tacaño,a = gierig
astuto, a = sluw
callarse = zwijgen
maldecir = vervloeken
enterarse = op de hoogte brengen, vernemen
el consuelo = troost
hacer reproches = verwijten, verwijten maken
ni siquiera = niet eens
la diputación = de Provinciale Staten
gobernar = regeren
detener = aanhouden
perseguir = achtervolgen
disparar = schieten
los países en vías de desarrollo = ontwikkelingslanden
sobrevivir = overleven
el desarme = de ontwapening
, el objetor de conciencia = dienstweigeraar
la aviación = de luchtmacht
el carné de conducir = rijbewijs
arrancar = starten
frenar = remmen
adelantar = inhalen, voorbijrijden
atropellar = aanrijden, omverrijden
el volante = het stuur
la marcha = versnelling
el maletero = kofferbak
comprobar = controleren, beproeven
la multa = boete
la acera = de stoep
hacer transbordo = overstappen
la ventanilla = loket
aterrizar = landen
el tranvía = tram
despegar = opstijgen
la escala = tussenlanding
desembarcar = van boord gaan
navegar = varen
declarar = aangeven
el Documento Nacional de Identidad = ID
el visado = visa
forastero, a = vreemd, buitenlands
rellenar = invullen
el alcázar = vestiging, burcht
la muralla = stadsmuur
recorrer = bereizen, reizen door
contemplar = aanschouwen, bekijken
alojar = onderbrengen, onder dak brengen
el Parador Nacional = het Spaanse Staatshotel
la fonda = het pension
el mozo = de piccolo, de kruier
la glorieta = rond plein
chapar = dichtdoen
el carrito = het winkelwagentje
la cesta = winkelmandje
la verdulería = groentewinkel
la bodega = wijnhuis, wijnhandel, wijnkelder
el escaparate = etalage
atender = bedienen, helpen
el probador = pashokje
caber = passen
estrecho,a = smal
ancho,a = wijd
calzar = schoenen dragen
El conde = de graaf
La condesa = de gravin
La oración = het gebed
El obispo = de bisschop
El pecado = de zonde
El milagro = het wonder
El convento = het klooster
La capilla = de kapel
Rezar = bidden
El cura = pastor, geestelijke, priester
El sacerdote = priester
Sagrado, a = heilig
La sacerdotisa = de priesteres
Pecar = zondigen
El paraíso = het paradijs
La espada = zwaard
El duque = hertog
La carabela = het karveel
La confirmación = vormsel
La vergüenza = schaamte
Enfadarse = boos worden
Avisar = waarschuwen
La lástima = medelijden
Lamentar = betreuren
imparcial = onpartijdig, objectief
Fracasar = falen, mislukken
Aprovecharse = profiteren, uitbuiten
El contrabando = de smokkel
Conseguir = bereiken, erin slagen
Desde luego = natuurlijk, uiteraard
Por cierto = overigens, trouwens
,por decirlo así = bij wijze van spreken
o sea = of te wel, dat wil ik zeggen
rechazar = afwijzen
renunciar = afstand doen
al revés = averechts, omgekeerd
afectuoso, a = hartelijk
decepcionar = teleurstellen
envidiar = benijden
encantar = verukken, bekoren
asustarse = schrikken
soportar = dulden, verdragen
tener mal genio = opvliegend zijn
el rencor = wrok , rancune
la rabia = woede
fastidiar = ergeren
tener celos = jaloers zijn
enhorabuena = gefeliciteerd
exigir = eisen, verlangen
conviene = men moet, het is aan te raden
socorro = help
por si acaso = voor het geval dat
valiente = moedig, dapper
prudente = voorzichtig
terco,a = koppig
avaro,a = hebzuchtig, gierig
el, la cobarde = lafaard
confundir = verwisselen, verwarren
el pretexto = smoes
el, la ratero,a = zakkenroller
estafar = bedriegen, oplichten
atreverse = wagen, durven
tacaño,a = gierig
astuto, a = sluw
callarse = zwijgen
maldecir = vervloeken
enterarse = op de hoogte brengen, vernemen
el consuelo = troost
hacer reproches = verwijten, verwijten maken
ni siquiera = niet eens
la diputación = de Provinciale Staten
gobernar = regeren
detener = aanhouden
perseguir = achtervolgen
disparar = schieten
los países en vías de desarrollo = ontwikkelingslanden
sobrevivir = overleven
el desarme = de ontwapening
, el objetor de conciencia = dienstweigeraar
la aviación = de luchtmacht
el carné de conducir = rijbewijs
arrancar = starten
frenar = remmen
adelantar = inhalen, voorbijrijden
atropellar = aanrijden, omverrijden
el volante = het stuur
la marcha = versnelling
el maletero = kofferbak
comprobar = controleren, beproeven
la multa = boete
la acera = de stoep
hacer transbordo = overstappen
la ventanilla = loket
aterrizar = landen
el tranvía = tram
despegar = opstijgen
la escala = tussenlanding
desembarcar = van boord gaan
navegar = varen
declarar = aangeven
el Documento Nacional de Identidad = ID
el visado = visa
forastero, a = vreemd, buitenlands
rellenar = invullen
el alcázar = vestiging, burcht
la muralla = stadsmuur
recorrer = bereizen, reizen door
contemplar = aanschouwen, bekijken
alojar = onderbrengen, onder dak brengen
el Parador Nacional = het Spaanse Staatshotel
la fonda = het pension
el mozo = de piccolo, de kruier
la glorieta = rond plein
chapar = dichtdoen
el carrito = het winkelwagentje
la cesta = winkelmandje
la verdulería = groentewinkel
la bodega = wijnhuis, wijnhandel, wijnkelder
el escaparate = etalage
atender = bedienen, helpen
el probador = pashokje
caber = passen
estrecho,a = smal
ancho,a = wijd
calzar = schoenen dragen