Samenvatting IBA deel 2
§2.2 De ondernemer in de IB
Object: Volgens art. 3.4 Wet IB is een ondernemer de belastingplichtige voor rekening
van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor
verbintenissen betreffende die onderneming. Daarnaast wordt in art. 3.3 de
medegerechtigde genoemd, die geen ondernemer is, maar wel winst uit onderneming
geniet.
In de fiscale begripsvorming wordt onderneming omschreven als een duurzame
organisatie van kapitaal en arbeid met behulp waarvan door middel van deelname aan
het economische verkeer wordt beoogd winst te behalen. Activiteiten met een
incidenteel karakter (Koninginnedag) vormen geen onderneming. Voorts zijn
werkzaamheden in de [privesfeer geen onderneming. Het winstoogmerk wordt getoetst
door het te objectiveren met redelijkerwijs te verwachten. Als meerdere jaren winst
wordt behaald zonder winstoogmerk zal toch aangenomen worden voldaan aan
winstoogmerk voor belasting. Bij kapitaal is slechts een bureaustoel en bureau genoeg
en de genoemde arbeid hoeft niet zelf te worden verricht. De factoren is de rechtspraak
voor een onderneming zijn:
Lopen van specifieke ondernemingsrisico’s; zoals omzetrisico
Aantal opdrachtgevers c.q. afnemers
Bekendheid naar buiten
Omvang van de netto voordelen ten opzichte van het overige inkomen
Meer arbeid verrichten dan bij normaal vermogensbeheer
Hoger rendement behalen, dan bij normaal vermogensbeheer te
verwachten is
De omvang van de investeringen.
De ondernemer in art. 3.4 (IB) moet direct verbonden zijn met de rekeningen
betreffende de onderneming. Bij samenwerkingsverbanden in de vorm van een
maatschap of vennootschap onder firma moet ook nagegaan worden of sprake is van
een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid met behulp waarvan wordt beoogd,
door middel van deelname aan het economische verkeer, winst te behalen. Als dit
gebeurt onder een gezamenlijke rekening, wordt iedere maat of firmant als ondernemer
aangemerkt. Als slechts enkelen rechtstreek verbonden worden voor verbintenissen
betreffende die onderneming, dan worden louter die deelnemers als ondernemer
aangemerkt. Er worden evenveel subjectieve ondernemingen gesteld per maat of
firmant.
Een commanditaire vennootschap heeft beherende en commanditaire (stille) vennoten.
De beherende vennoot drijft de onderneming en is dus ondernemer. De stille vennoot
1
,heeft slechts een financiele inbreng, maar zodra deze daden van beheer verricht worden,
is hij ook ondernemer en dus verbonden aan de schulden van de onderneming. Bij een
ondermaatschap worden beide echtgenoten als overnemer voor de onderneming
aangemerkt. Echter als de ondermaatschap niet wordt verbonden met de
bovenmaatschap is deze echtgenoot geen ondernemer. Verhuurder van een gehele
onderneming wordt volgens jurisprudentie ook als ondernemer aangemerkt.
Medegerechtigde worden ook belast alsof zij ondernemer zijn. De medegerechtigde
wordt genoemd in art. 3.3. Als de lening, genoemd in het artikel, wordt verstrekt aan een
met de belastingplichtige verbonden persoon wordt het als winst uit overige
werkzaamheden aangemerkt. Andere uitzondering ligt in art. 5.17 betreffende het
durfkapitaal.
Subject: volgens art. 3.2 is de belastbare winst uit de onderneming het subject van
heffing. De belastbare winst is het gezamenlijke bedrag van de winst dat de
belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen. Bij bepaling
winst spelen twee begrippen een rol: de totaalwinst (art. 3.8) en het jaarwinstbegrip
(grondslagen in art. 3.25). Jaarwinst kan worden berekend door (1) de opbrengsten te
verminderen met de zakelijke kosten of het fiscale eindvermogen - het fiscaal
beginvermogen plus priveonttrekkingen min privestortingen. Beide manieren leiden tot
eenzelfde resultaat. Jaarwinst wordt volgens goed koopmansgebruik bepaald, maar er
staan uitgangspunten in art. 3.26 t/m 3.39. In art. 3.19 en 3.20 staan regels over de
vaststelling van in aanmerking te nemen onttrekkingen. Vrijgestelde winstaandelen
staan in art. 3.11 t/m 3.13. De kosten die niet of niet geheel in aftrek kunnen worden
gebracht staan in art 3.14 t/m 3.17. Voor het stimuleren van investeren staat in art. 3.40
t/m 3.46 het recht op investeringsaftrek. Bij vervreemding van de geinvesteerde
goederen binnen bepaalde periode wordt desinvesteringsbijtelling bijgeteld. Voorts
kunnen bepaalde kosten worden gereserveerd voordat ze daadwerkelijk worden
gemaakt, evenals bepaalde voordelen. Voor berekening van het subject van belastbare
winst uit onderneming zie boek ‘Hoofdzaken Belastingrecht’ blz. 96
Boekhoudkundige winst:
Af: vrijgestelde winstbestanddelen
Bij: niet-afrekbare kostenddelen)
Af: investeringsafrek
Bij: desinvesteringsbijtelling
Af: toevoegingen aan de egalisatereserve en de herinvesteringsreserve
Bij: afnemingen van de egalisatereserve en de herinvesteringsreserve
Bij: afnemingen van de een positeve terrgkeerreserve
Af: afnemingen van een negateve terrgkeerreserve
Het resrltaat vormt een basis voor de berekening van de toevoging van de ordedagresreve
Af/bij: toevoeging of afneming van ordedagreserve
2
, Af: ondernemersafrek, mkb-winstvrijstelling
Ingevolge art. 3.6 lid 1 moet een ondernemer aan een bepaald urencriterium (van 1.225
uur per jaar) voldoen. Deze uren moeten in onderneming worden gestoken wil de
ondernemer voor bepaalde aftrekfaciliteiten worden aangemerkt.
In Wet IB worden bij aanmerking van ondernemingsfaciliteiten zowel (al dan niet aan
het urencriterium voldoende) medegerechtigde als ondernemers bedoeld vermeld de
wettekst het begrip belastingplichtige. Indien het ondernemers (die al dan niet aan het
urencriterium voldoen) betreft, wordt het begrip ondernemer gehanteerd. Geldt de
faciliteit louter voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet, vermeldt de
wettekst het begrip de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Belangrijk is blz.
98 van het boek, hier staat bv wat ze krijgen als ze wel niet aan het urencriterium
voldoen.( meewerkaftrek wel, mkb-vrijstelling en investeringsaftrekkken niet)
2.2.3 In art. 3.8 staat de invulling van het totaalwinstbegrip: de gezamenlijke voordelen
die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.
Dit is dus het totaal van voordelen (kan ook in negatieve zin) die gedurende het bestaan
van de onderneming winst uit onderneming vormen. De jaarwinst deelt de totaalwinst
op per jaar, waarover wordt geheven. De totaalwinst is het vermogen van de
onderneming + de onttrekkingen art 3.20 (overbrengen ondernemingsvermogen ->
privevermogen) - de kapitaalstortingen (overbrenging privevermogen ->
ondernemingsvermogen) - beginvermogen van de onderneming.
Voor bepaling of voordelen verkregen zijn uit onderneming is in de rechtspraak het
Notarisarrest: hier werd besloten dat indien een transactie niet tot de normale
bedrijfsuitoefening behoort, het voordeel slechts tot de winst uit onderneming worden
gerekend indien de gunstige afloop van een transactie dor de bedrijfsuitoefening kan
worden voorzien dan wel worden beinvloed. Vooral voor het in aanmerking nemen van
uitgaven is de inspecteur niet bevoegd het ondernemingsbeleid te toetsen. Hij heeft wel
de bevoegdheid uitgaven te onderscheiden in uitgaven voor zakelijke belangen of
privebelangen. Echter bij Cessna-arrest: uitgaven die weliswaar gericht zijn met het oog
op de zakelijke belangen van de onderneming zijn niet aftrekbaar indien geen redelijk
denken ondernemer kan volhouden, mbt de wanverhouding tussen kosten en het nut
van uitgaven, die uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te
maken. Indien dus de kosten onzakelijk hoog zijn, kunnen de kosten die een redelijk
denkend ondernemer gemaakt zou hebben afgetrokken worden, de rest is echter een
onttrekking en niet aftrekbaar.
Bij vermogensetikettering kan de ondernemer vermogensbestanddelen verdelen tussen
(1) het verplicht ondernemingsvermogen (aftrekbaar), het privevermogen (niet
aftrekbaar) en keuzevermogen, met dien verstande dat dit gebeurt binnen de grenzen
der redelijkheid. Deze worden nader uitgewerkt:
Bij verplicht ondernemingsvermogen wordt het desbetreffende vermogensbestanddeel
uitsluitend of vrijwel uitsluitend (min 90%) ten behoeve van de
ondernemingsuitoefening gebruikt. De ondernemer overschrijdt de grenzen der
redelijkheid als hij een dergelijk vermogensbestanddeel toewijst aan het privevermogen.
Bij terbeschikking stellen van een dergelijk vermogensbestanddeel door een maat aan
3
§2.2 De ondernemer in de IB
Object: Volgens art. 3.4 Wet IB is een ondernemer de belastingplichtige voor rekening
van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor
verbintenissen betreffende die onderneming. Daarnaast wordt in art. 3.3 de
medegerechtigde genoemd, die geen ondernemer is, maar wel winst uit onderneming
geniet.
In de fiscale begripsvorming wordt onderneming omschreven als een duurzame
organisatie van kapitaal en arbeid met behulp waarvan door middel van deelname aan
het economische verkeer wordt beoogd winst te behalen. Activiteiten met een
incidenteel karakter (Koninginnedag) vormen geen onderneming. Voorts zijn
werkzaamheden in de [privesfeer geen onderneming. Het winstoogmerk wordt getoetst
door het te objectiveren met redelijkerwijs te verwachten. Als meerdere jaren winst
wordt behaald zonder winstoogmerk zal toch aangenomen worden voldaan aan
winstoogmerk voor belasting. Bij kapitaal is slechts een bureaustoel en bureau genoeg
en de genoemde arbeid hoeft niet zelf te worden verricht. De factoren is de rechtspraak
voor een onderneming zijn:
Lopen van specifieke ondernemingsrisico’s; zoals omzetrisico
Aantal opdrachtgevers c.q. afnemers
Bekendheid naar buiten
Omvang van de netto voordelen ten opzichte van het overige inkomen
Meer arbeid verrichten dan bij normaal vermogensbeheer
Hoger rendement behalen, dan bij normaal vermogensbeheer te
verwachten is
De omvang van de investeringen.
De ondernemer in art. 3.4 (IB) moet direct verbonden zijn met de rekeningen
betreffende de onderneming. Bij samenwerkingsverbanden in de vorm van een
maatschap of vennootschap onder firma moet ook nagegaan worden of sprake is van
een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid met behulp waarvan wordt beoogd,
door middel van deelname aan het economische verkeer, winst te behalen. Als dit
gebeurt onder een gezamenlijke rekening, wordt iedere maat of firmant als ondernemer
aangemerkt. Als slechts enkelen rechtstreek verbonden worden voor verbintenissen
betreffende die onderneming, dan worden louter die deelnemers als ondernemer
aangemerkt. Er worden evenveel subjectieve ondernemingen gesteld per maat of
firmant.
Een commanditaire vennootschap heeft beherende en commanditaire (stille) vennoten.
De beherende vennoot drijft de onderneming en is dus ondernemer. De stille vennoot
1
,heeft slechts een financiele inbreng, maar zodra deze daden van beheer verricht worden,
is hij ook ondernemer en dus verbonden aan de schulden van de onderneming. Bij een
ondermaatschap worden beide echtgenoten als overnemer voor de onderneming
aangemerkt. Echter als de ondermaatschap niet wordt verbonden met de
bovenmaatschap is deze echtgenoot geen ondernemer. Verhuurder van een gehele
onderneming wordt volgens jurisprudentie ook als ondernemer aangemerkt.
Medegerechtigde worden ook belast alsof zij ondernemer zijn. De medegerechtigde
wordt genoemd in art. 3.3. Als de lening, genoemd in het artikel, wordt verstrekt aan een
met de belastingplichtige verbonden persoon wordt het als winst uit overige
werkzaamheden aangemerkt. Andere uitzondering ligt in art. 5.17 betreffende het
durfkapitaal.
Subject: volgens art. 3.2 is de belastbare winst uit de onderneming het subject van
heffing. De belastbare winst is het gezamenlijke bedrag van de winst dat de
belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen. Bij bepaling
winst spelen twee begrippen een rol: de totaalwinst (art. 3.8) en het jaarwinstbegrip
(grondslagen in art. 3.25). Jaarwinst kan worden berekend door (1) de opbrengsten te
verminderen met de zakelijke kosten of het fiscale eindvermogen - het fiscaal
beginvermogen plus priveonttrekkingen min privestortingen. Beide manieren leiden tot
eenzelfde resultaat. Jaarwinst wordt volgens goed koopmansgebruik bepaald, maar er
staan uitgangspunten in art. 3.26 t/m 3.39. In art. 3.19 en 3.20 staan regels over de
vaststelling van in aanmerking te nemen onttrekkingen. Vrijgestelde winstaandelen
staan in art. 3.11 t/m 3.13. De kosten die niet of niet geheel in aftrek kunnen worden
gebracht staan in art 3.14 t/m 3.17. Voor het stimuleren van investeren staat in art. 3.40
t/m 3.46 het recht op investeringsaftrek. Bij vervreemding van de geinvesteerde
goederen binnen bepaalde periode wordt desinvesteringsbijtelling bijgeteld. Voorts
kunnen bepaalde kosten worden gereserveerd voordat ze daadwerkelijk worden
gemaakt, evenals bepaalde voordelen. Voor berekening van het subject van belastbare
winst uit onderneming zie boek ‘Hoofdzaken Belastingrecht’ blz. 96
Boekhoudkundige winst:
Af: vrijgestelde winstbestanddelen
Bij: niet-afrekbare kostenddelen)
Af: investeringsafrek
Bij: desinvesteringsbijtelling
Af: toevoegingen aan de egalisatereserve en de herinvesteringsreserve
Bij: afnemingen van de egalisatereserve en de herinvesteringsreserve
Bij: afnemingen van de een positeve terrgkeerreserve
Af: afnemingen van een negateve terrgkeerreserve
Het resrltaat vormt een basis voor de berekening van de toevoging van de ordedagresreve
Af/bij: toevoeging of afneming van ordedagreserve
2
, Af: ondernemersafrek, mkb-winstvrijstelling
Ingevolge art. 3.6 lid 1 moet een ondernemer aan een bepaald urencriterium (van 1.225
uur per jaar) voldoen. Deze uren moeten in onderneming worden gestoken wil de
ondernemer voor bepaalde aftrekfaciliteiten worden aangemerkt.
In Wet IB worden bij aanmerking van ondernemingsfaciliteiten zowel (al dan niet aan
het urencriterium voldoende) medegerechtigde als ondernemers bedoeld vermeld de
wettekst het begrip belastingplichtige. Indien het ondernemers (die al dan niet aan het
urencriterium voldoen) betreft, wordt het begrip ondernemer gehanteerd. Geldt de
faciliteit louter voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet, vermeldt de
wettekst het begrip de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Belangrijk is blz.
98 van het boek, hier staat bv wat ze krijgen als ze wel niet aan het urencriterium
voldoen.( meewerkaftrek wel, mkb-vrijstelling en investeringsaftrekkken niet)
2.2.3 In art. 3.8 staat de invulling van het totaalwinstbegrip: de gezamenlijke voordelen
die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.
Dit is dus het totaal van voordelen (kan ook in negatieve zin) die gedurende het bestaan
van de onderneming winst uit onderneming vormen. De jaarwinst deelt de totaalwinst
op per jaar, waarover wordt geheven. De totaalwinst is het vermogen van de
onderneming + de onttrekkingen art 3.20 (overbrengen ondernemingsvermogen ->
privevermogen) - de kapitaalstortingen (overbrenging privevermogen ->
ondernemingsvermogen) - beginvermogen van de onderneming.
Voor bepaling of voordelen verkregen zijn uit onderneming is in de rechtspraak het
Notarisarrest: hier werd besloten dat indien een transactie niet tot de normale
bedrijfsuitoefening behoort, het voordeel slechts tot de winst uit onderneming worden
gerekend indien de gunstige afloop van een transactie dor de bedrijfsuitoefening kan
worden voorzien dan wel worden beinvloed. Vooral voor het in aanmerking nemen van
uitgaven is de inspecteur niet bevoegd het ondernemingsbeleid te toetsen. Hij heeft wel
de bevoegdheid uitgaven te onderscheiden in uitgaven voor zakelijke belangen of
privebelangen. Echter bij Cessna-arrest: uitgaven die weliswaar gericht zijn met het oog
op de zakelijke belangen van de onderneming zijn niet aftrekbaar indien geen redelijk
denken ondernemer kan volhouden, mbt de wanverhouding tussen kosten en het nut
van uitgaven, die uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te
maken. Indien dus de kosten onzakelijk hoog zijn, kunnen de kosten die een redelijk
denkend ondernemer gemaakt zou hebben afgetrokken worden, de rest is echter een
onttrekking en niet aftrekbaar.
Bij vermogensetikettering kan de ondernemer vermogensbestanddelen verdelen tussen
(1) het verplicht ondernemingsvermogen (aftrekbaar), het privevermogen (niet
aftrekbaar) en keuzevermogen, met dien verstande dat dit gebeurt binnen de grenzen
der redelijkheid. Deze worden nader uitgewerkt:
Bij verplicht ondernemingsvermogen wordt het desbetreffende vermogensbestanddeel
uitsluitend of vrijwel uitsluitend (min 90%) ten behoeve van de
ondernemingsuitoefening gebruikt. De ondernemer overschrijdt de grenzen der
redelijkheid als hij een dergelijk vermogensbestanddeel toewijst aan het privevermogen.
Bij terbeschikking stellen van een dergelijk vermogensbestanddeel door een maat aan
3