Afasie is:
- Een taalstoornis
- Afasie kan het gevolg zijn van een hersenbloeding
- Afasie kan het gevolg zijn van een klap tegen het hoofd.
- Afasie ontstaat meestal plotseling
- Afasie gaat nooit meer over
Als je afasie hebt, kan het gebeuren dat je als gevolg van de afasie:
1) een woord uitspreekt dat je niet bedoelde
2) een verkeerd woord schrijft
3) krantenberichten niet meer begrijpt
4) het tv-journaal niet meer kunt volgen
5) problemen hebt met het formuleren van zinnen
6) nog maar één woord kan zeggen
Afasie....
... is een verworven taalstoornis, veroorzaakt door focaal hersenletsel (een deel van de
hersenen wat beschadigd is) dat ontstaat nadat de taal verworven is.
• verworven: afasie vs taalontwikkelingsstoornissen
• taalstoornis: afasie vs dysartrie
• focaal hersenletsel: afasie vs taalstoornissen bij dementie • nadat de taal verworven is:
afasie vs kinderafasie
Afasie kan niet bij de geboorte ontstaan. Er moet eerst taal verworven zijn.
Symptomen van Afasie
In het midden staan de woordbetekenissen opgeslagen: de semantiek
Kan op 2 manieren binnenkomen: horen auditieve tak en lezen schriftelijke tak.
Op die manieren kan het ook weer naar buiten komen.
Afasie kan in alle taalmodaliteiten voorkomen, maar dat hoeft niet.
Ernst en aard van de symptomen verschilt heel erg.
,Symptomen van afasie
• Linguïstische kenmerken in de spontane taal
o Fonologie
o Lexicon (semantiek)
o Grammatica (syntaxis)
• Kenmerken van het auditieve taalbegrip
• Kenmerken in lezen en schrijven
Linguïstische kenmerken in de spontane taal
• Fonologische stoornissen
• Lexicale stoornissen
• Grammaticale stoornissen
o Agrammatisme
o Paragrammatisme
• Andere expressieve symptomen
Fonologische stoornissen
• Fonematische parafasieën
o Klanksubstitutie: ‘knuit’ ipv kluit (1 bepaalde klank in een woord wordt vervangen
door een andere)
o Klankdeletie: ‘fuit’ ipv fruit (Weglating)
o Klankverwisseling binnen het woord: ‘athopeker’ ipv apotheker
o Klankadditie: ‘barksteen’ ipv baksteen (toevoeging)
• Neologismen: het gesproken woord is zo verbasterd dat het bedoelde woord niet meer
herkenbaar is (‘jaal’, ‘kaggel’) Er wordt eigenlijk een nieuw woord geproduceerd die je
niet meer kan herkennen of begrijpen.
Lexicale stoornissen
• Woordvindingsproblemen
• Gebrek aan expliciete informatie, inhoudswoorden worden weggelaten, gebruik vage
termen essentieel delen worden weggelaten.
• Aarzeling/ blokkade voor sleutelwoorden
• Verbale parafasieën: een woord wordt vervangen door een ander woord moeite hebben
om het op te halen.
o Semantische parafasie: er is een relatie met het bedoelde woord. Relatie met het
doelwoord maar niet het woord zelf is bijvoorbeeld banaan zegt ipv appel. Je begrijpt
het nog wel.
o Irrelevante parafasie: geen relatie met bedoelde woord geen relatie tot het
doelwoord. Bijvoorbeeld doelwoord is koffer en cliënt zegt lamp. Je begrijpt het niet
meer.
o Semantisch jargon: zoveel parafasieën dat het verhaal niet meer te begrijpen is
Er zijn dan zoveel parafasieën in de spontane spraak aanwezig dat het verhaal niet
meer te begrijpen is. (er zitten dan heel veel semantische parafasie en irrelevante
parafasie in)
, Grammaticale stoornissen (binnen de gramaticale stoornissen zijn er 2 kenmerken te
onderscheiden)
1. Agrammatisme: verarming/ vereenvoudiging van morfologische en syntactische
structuur
o Langzaam spreken
o Korte zinnen
o Inhoudswoorden > Functiewoorden (meer ww en zn gebruikt ipv voegwoorden en
bnw. Die worden meer weggelaten)
o Voorbeeld:‘… alphen… aan de rijn… en eh…. mooi… eh… ik… lekker… lopen’
De boodschap is nog wel te begrijpen, ook al klopt de zin niet.
Niet vloeiend, losse woorden.
Persoon is hier vaak bewust van.
2. Paragrammatisme: gebruik van lange, syntactisch ingewikkelde zinnen, met een
incorrecte structuur
o Veel functiewoorden
o In elkaar geschoven zinsconstructies
o Zinsafbrekingen
o (ook vaak veel fonologische en verbale parafasieën)
o Voorbeeld: (hoe ziet uw huis er uit) ‘als u binnenkomt krijg je meteen al bespa dat is
voor de ruimte om de voordeur vrij klein gelaten is maar dan is verder voor de rest
alles in huis ruimte gebleven . daarbij een ruimte voor garage en boven garage waar
u dus grote griet je griet met niet het midden in het huis bui binnenhuisarchitectuur vrij
gr vrij groot is’
Vloeiend. Iemand maakt lange zinnen, zijn niet correct. Gebruiken veel
functiewoorden of zinnen worden niet afgemaakt enz.
Persoon is hier vaak niet bewust van.
Andere expressieve symptomen
• Stereotiepen: woord, woordgroep of zin die enigszins passend is in het verhaal, maar veel
vaker gebruikt wordt dan normaal (‘hoe heet het’, ‘enzovoorts’, weet ik niet’)
Kunnen niet op het juiste doel woord en gebruiken het vaak als filler (opvulling).
Het wordt vaker gebruikt dan normaal en er wordt geen inhoudelijke informatie mee
overgebracht.
• Taalautomatismen: woord of woordgroep die niet passend is, soms als enige uiting naast
‘ja’ en ‘nee’ (‘heerlijk helder heineken’, ‘van de regering’)
Iemand heeft telkens als uiting bijvoorbeeld ‘van de regering’ of ‘spruitjes’.
Als je iemand iets vraagt geven ze dat woord als antwoord. Mensen kunnen zich daar
bewust van zijn. Het is een automatisme en ze willen het niet zeggen, maar het komt
telkens terug.
Taalautomatisme heeft te maken met taal, elke keer zeg je een soort woord of uiting
en dat komt telkens terug.
• Recurring utterances: patiënt herhaalt voortdurend zinloze klanken/lettergrepen (‘tan’,
‘ke’, ‘izook’)
Cliënt telkens een zinloze klank of lettergreep herhaalt. Het is geen herkenbaar
woord.