ideologieën (1914-1929)
Oorlog, revolutie en de opkomst van nieuwe ideologieën (De Graaf)
Het Westerse vooruitgangsgeloof in de economie, technologie en beschaving bleek aan het
begin van de twintigste eeuw een betekenisloos begrip te zijn. Aan het einde van de
‘wankelende’ twintigste eeuw waren er 187 miljoen mensen omgekomen door geweld en
honger. Desalniettemin bestond er een toenemende veiligheid, wat onder meer bleek uit
Steven Pinkers homicide-rate. Pinker meent dat drie factoren stimulerend waren voor
veiligheid, namelijk de gecentraliseerde staten, het beschavingsoffensief (beheersen van
driften) en de minderhedenrevolutie.
De twintigste eeuw kan worden beschouwd als ‘een zoektocht van steeds meer
mensen naar steeds meer veiligheid’. In de vroegmoderne tijd was er veiligheid als men
naar de hemel ging en in de moderne tijd was er veiligheid als men zich van onzekerheden
kon verwijderen. Maar in de hedendaagse tijd staat de subjectieve projectie van veiligheid
centraal, onder meer door de oververtegenwoordiging van informatie door de
informatierevolutie.
De Eerste Wereldoorlog was een oercatastrofe van moord en verderf, die misschien
tot de opkomst van dictatoriale regimes heeft geleid. Volgens de recente historiografie is de
Grote Oorlog ontstaan door de wapenwedloop (tegenwerping: tijdens de Koude Oorlog bleef
een confrontatie uit), militaire oorlogsplannen (tegenwerping: deze bestonden pas vanaf
1900), de nationalistische en sociaaldarwinistische zeitgeist, complotten (tegenwerping: niet-
verifieerbaar en irreëel) en mispercepties (‘Sleepwalkers’). De veiligheid van de een
betekende in elk geval de onveiligheid van de ander (zero-sum gain).
Rusland was hevig gefrustreerd door het verlies van de Russo-Japanse oorlog in
1905. Frankrijk wilde bovendien wraak op Duitsland sinds de Frans-Pruisische oorlog (1870-
1871). Oostenrijk-Hongarije voelde zich daarbovenop bedreigd door Servië. In het
binnenland ontstond er een sociale dynamiek, kwamen bestaande regimes onder druk te
staan, werd het ‘sociaal imperialisme gehanteerd’ en kwamen cultureel gezien optimisme en
pessimisme tegenover elkaar te staan. Op internationaal niveau waren er sterke rivaliteiten
als gevolg van allianties en (Triple Entente; Triple Alliantie) en ontstonden er toenemende
spanningen in de Balkan (als gevolg van de Balkanoorlogen 1912-1913).
Het startschot van de oorlog werd op 28 juni 1914 geschoten in Sarajevo, Oostenrijk-
Hongarije. Men verwachtte een dynamische oorlog. Het Von Schlieffenplan leek een goede
uitweg te bieden voor de Duitsers: ze werd een tweefrontenoorlog vermeden. Maar in
augustus 1914 eindigde de Duitse opmars al snel, namelijk bij de Marne: een gruwelijke
strijd volgde, alsmede een vierjarige loopgravenoorlog.
De drie belangrijkste gebeurtenissen van de oorlog zijn de Russische
Oktoberrevolutie, de Amerikaanse entree in april 1917 en het laatste Duitse offensief in
1918. De ineenstorting van het Duitse Keizerrijk zou veroorzaakt zijn door generaal en
politicus Ludendorffs verraad, niet door de socialisten en sociaaldemocraten, evenals de
verspreiding van de Spaanse griep bij met name Duitse soldaten en de desillusie door
propaganda en censuur.
De Eerste Wereldoorlog was Une guerre totale. Een totale mobilisatie van de
burgers, een totale inzetting van de economie, een totale destructie van de vijand en een
totale staatscontrole over de burgers. En bovendien had het geleid tot een totale vernietiging
van het Habsburgse Rijk, het Russische Tsarenrijk en het Ottomaanse Rijk.
,Vrede van Brest-Litovsk: Duits-Russische vredesverklaring in maart 1918 waarbij het Duitse keizerrijk
strenge maatregelen oplegde aan Sovjet-Rusland, waaronder het afstaan van grote territoria en
enorme hoeveelheden ijzer en steenkool.
Dolkstootlegende (“stab in the back”-myth): Breedgedragen notie in de Weimarrepubliek dat politieke
samenzwering en binnenlandse (sociaaldemocratische) revolutie de Duitse oorlogsmachine hadden
gesaboteerd, leidend tot het Duitse verlies van de Eerste Wereldoorlog.
Volkenbond: Internationale organisatie opgericht in 1919 gebaseerd op Wilson’s Fourteen points.
Omdat de Verenigde Staten het Verdrag van Versailles niet ratificeerden, traden zij niet toe.
Uiteindelijk bleef de ‘vredelievende schikking’ niet in staat om de Tweede Wereldoorlog te voorkomen.
Comintern: Ook wel de Derde Internationale; vereniging opgericht door de Russische Bolsjewieken in
1919 om de internationale socialistische beweging te vertegenwoordigen, maar kwam tot een breuk
met marxisten van de oude lijn.
Fascisme: Antidemocratische en gewelddadige beweging gebaseerd op de Grote Oorlog en opgericht
door ‘Il Duce’ Benito Mussolini in 1919; later gebruikt als term voor Hitlers naziregime en alle
bewegingen die zich keerden tegen het liberalisme, socialisme en parlementarisme en daarbij
gedisciplineerde nationale solidariteit benadrukten.
Republiek van Weimar: Duitse democratie opgericht in 1919 in de Duitse stad Weimar; kwam in het
interbellum onder druk te staan door aanvankelijk ultralinkse (Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht) en
later ultrarechtse (SA; Hitler) groeperingen.
P.W.A. Cort van der Linden: Minister-president van Nederland gedurende de periode 1913-1918;
achtte het noodzakelijk om een compromis te sluiten in de kiesrecht- en schoolkwestie, hetgeen
leidde tot de Pacificatie van 1917.
Vergissing van Troelstra: Vergeefse poging tot revolutie na de teleurstellende verkiezingsuitslag van
juli 1918 door de fractievoorzitter van de SDAP Pieter Jelles Troelstra, hetgeen leidde tot een forse
terugslag voor de sociaaldemocratie en bovendien een verminderd vertrouwen in de
sociaaldemocratie.
De Eerste Wereldoorlog
Westfront: De eerste fase liep van zomer tot winter 1914 en kan geduid worden als het
‘enthousiasme’. Deze fase begon met de Duitse opmars in het westen, door België naar
Frankrijk, en eindigde met de slag bij de Marne; toen ontstond er een statische, defensieve
loopgravenoorlog. De tweede fase liep van winter 1914 tot najaar 1916 en kan geduid
worden als ‘een onverwachte impasse’. Het Duitse offensief (slag om Verdun) boekte
succes, maar vanaf juli boekten de Fransen succes. Uiteindelijk leverden de offensieven
weinig op behalve slachtoffers en oorlogsmoeheid. De derde fase liep van voorjaar 1917 tot
najaar 1918. De Verenigde Staten traden toe als indirect gevolg van de Duitse onbeperkte
duikbotenoorlog die onder meer de Lusitania ten val bracht en direct gevolg van het
Zimmermanntelegram. Na de afkondiging van de 14 punten van Wilson namen de VS actief
deelname aan de oorlog en werden de Duitse troepen teruggedrongen, uitmondend in een
wapenstilstand op 11 november 1918.
Oostfront: De eerste fase liep van zomer 1914 tot najaar 1915. Het Russische leger
mobiliseerde zich onverwacht snel, maar worden in Oost-Pruisen teruggeslagen door de
legers van Hindenburg en Ludendorff. De tweede fase liep van najaar 1915 tot voorjaar
, 1917. Tsaar Nicolaas II werd opperbevelhebber van het leger, maar zorgt voor grote
verliezen. Demoralisatie en tegenoffensieven van de Duitsers volgen, en in maart volgt
revolutie en troonafstand. De derde fase liep van voorjaar 1917 tot voorjaar 1918. De
voorlopige regering zette de oorlog voort, maar stond onder druk van rechtse generaals en
bolsjewieken. De communistische revolutie in oktober en november leidde ertoe dat Rusland
uit de Entente stapte met het verdrag van Brest-Litovsk.
Breekpunten: oorlogsmoeheid in het westen na offensieven bij Verdun, somme en
Passchendaele in 1916; oorlogsmoeheid in het oosten na het tsaristisch militair
tegenoffensief; afzonderlijke vrede van Rusland met Brest-Litovsk in maart 1917; deelname
aan de VS vanaf april 1917.
Een totale oorlog
De Eerste Wereldoorlog was totaal door de totale mobilisatie van de bevolking (mannen
werden soldaten; vrouwen fabrikanten); de totale inzetting van de economie (leidend tot
voedseltekorten en crises); de kwetsbaarheid van burgers voor massavernietigingswapens;
het gebruik van zeeblokkades om doorgang van goederen van de vijand te belemmeren; het
gebruik van propaganda en censuur door overheden om het burgerlijke moraal te vormen.
Rusland en de bolsjewieken
Maart: een protest in Petrograd leidde tot revolutie. Daarop worden sovjets gevormd. De
Mensjewieken hadden de overhand, en op verzoek van de Doema trad tsaar Nicolaas II af
en werd een voorlopige regering gevormd - deze zorgde voor grote ontevredenheid omdat
agrarische hervormingen achterbleven en de oorlog werd voortgezet.
April: Vladimir Lenin keerde terug uit Zwitserland en zorgde voor een sterke positie van de
Bolsjewieken. Onder druk van de voorlopige regering, vluchtte Lenin naar Finland.
September: Het verijdelen van een staatsgreep bij de Mars naar Petrograd door rechtse
militaire antirevolutionairen noopte de voorlopige regering ertoe hulp te vragen bij de
Bolsjewieken, die vervolgens de meerderheid verkregen in de sovjets. De toenemende
onzekerheid onder de bevolking dat Leon Trotski de macht moest grijpen.
November: de bolsjewieken namen bezit van Petrograd en grepen met weinig
bloedvergieten de macht. De voorlopige regering moest aftreden en Alexander Kerenski
vluchtte.
December: de bolsjewieken stemden in om een wapenstilstand te sluiten met Duitsland. In
maart 1918 werd het voor Rusland ongunstige verdrag van Brest-Litovsk gesloten.
De Vrede van Versailles
Frankrijk onder Clémenceau wilde Franse veiligheid tegen Duitsland en Rusland: Elzas-
Lotharingen terug, een bezetting van het Rijnland en sterke bondgenoten in Centraal- en
Oost-Europa (Polen, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Roemenië).
Groot-Brittannië onder David Lloyd George was het oneens over de kwesties en hield zich
vooral bezig met problemen in het eigen koloniale rijk, maar wilde toch bemiddelen.
Wilson onder de Verenigde Staten was een idealist, maar ondertekende ondanks zijn
inspirationele Fourteen Points het verdrag niet en trad niet toe tot de Volkenbond: niet
Duitsland, maar de internationale regeling was de oorzaak van de oorlog.
Leiders van de communistische partij
Leon Trotski (1879-1940), Nikolaj Boecharin (1888-1938) en Jozef Stalin (1879-1953)
moesten kiezen of het socialisme verspreid moest worden of dat de Sovjet-Unie eerst zo