Samenvatting gaswisseling.
Gaswisseling bij dieren.
Bij alle organismen wordt bij de verbranding in hun cellen zuurstof verbruikt. Hierbij
ontstaat koolstofdioxide. Organismen nemen zuurstof op uit hun milieu en geven
koolstofdioxide aan hun milieu af. Het opnemen van zuurstof en het afgeven van
koolstofdioxide wordt gaswisseling genoemd.
Eencellige dieren hebben geen aparte organen voor gaswisseling. Bij hen vindt
gaswisseling plaats via het celmembraan. Zij nemen zuurstof direct uit hun milieu op
en geven koolstofdioxide daaraan af.
Veel meercellige dieren bezitten wel aparte organen om zuurstof op te nemen en
koolstofdioxide af te geven. Hun huid is vaak ondoorlaatbaar voor zuurstof en
koolstofdioxide. Gaswisseling vindt bij hen plaats in speciale ademhalingsorganen.
Tracheeën
Insecten hebben tracheeën. Tracheeën zijn sterk vertakte luchtbuizen in het lichaam
van een insect. Via openingen komt lucht in het tracheeënstelsel. Deze openingen
heten stigma’s. De fijne vertakkingen van de tracheeën eindigen overal in het
lichaam. Daardoor kan lucht met zuurstof overal in het lichaam van een insect
terechtkomen. Alle vertakkingen samen hebben een groot oppervlak, zodat de
gaswisseling snel plaatsvindt. Zuurstof wordt vanuit de lucht in de tracheeën
opgenomen in de cellen van het insect. De cellen geven koolstofdioxide af aan de
lucht in de tracheeën. Bij veel soorten insecten bevinden de stigma’s zich vooral in
het achterlijf. Door pompende bewegingen te maken, verversen deze insecten de
licht in de tracheeën.
Kieuwen
Met kieuwen kunnen organismen zuurstof uit water opnemen en koolstofdioxide
afgeven. Vissen en jonge amfibieën hebben kieuwen.
Bij een vis liggen de kieuwen vlak achter de kop in de kieuwholten. De kieuwholten
zijn bedekt door kieuwdeksels. Elke kieuw bestaat uit een kieuwboog met daarop
een groot aantal kieuwplaatjes. In de kieuwplaatsjes liggen veel fijne bloedvaatjes
(haarvaten). Samen hebben de kieuwplaatjes een groot oppervlak waardoor vissen
veel zuurstof in het bloed kunnen opnemen en koolstofdioxide afgeven.
Vissen verversen het water in de kieuwholten voortdurend. Dat kun je goed zien bij
een vis in een aquarium. Je zien zijn bek open- en dichtgaan. Ook de kieuwdeksels
kun je open en dicht zien gaan. Als de bek van de vis opengaat, stroomt vers water
de mondholte in. Daarna sluit de vis zijn bek en beweegt de mondbodem omhoog.
Het water wordt nu vanuit de mondholte in de kieuwholten geperst. Het water stroomt
tussen de kieuwplaatjes door er vindt gaswisseling plaats. Het water verlaat de vis
doordat de kieuwdeksels opengaan. Hierna gaan de kieuwdeksels weer dicht en
gaat de bek weer open, waarna er een nieuwe hoeveelheid water de mondholte in
stroomt.
, Kieuwen werken niet in de lucht. Dit komt doordat de kieuwplaatjes aan elkaar kleven
waardoor de oppervlakte voor de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide te klein
wordt. Wanneer amfibieën zoals kikkers en salamanders volwassen worden,
verdwijnen de kieuwen. De huid van amfibieën is bedekt met een slijmlaag. Onder
de huid stromen veel kleine bloedvaatjes. Via hun huid nemen volwassen amfibieën
zuurstof op uit de lucht en geven koolstofdioxide aan af. Ook bezitten volwassen
amfibieën eenvoudige longen. Sommige kikkers en salamanders overwinteren op de
bodem van een vijver of een sloot. Ze kunnen dan via de huis zuurstof opnemen.
Longe
Reptielen, vogels en zoogdieren hebben alleen longen. Bij reptielen, vogels en
zoogdieren is de huid ondoorlaatbaar voor gassen. Ook bij reptielen en zoogdieren
die in het water leven, vindt alleen gaswisseling in de longen plaats. Deze dieren
moeten dan ook regelmatig naar het wateroppervlak gaan om adem te halen.
Het ademhalingsstelsel van een mens.
Je ademt lucht in door je neus of door je mond. De lucht komt dan in de neusholte of
in de mondholte terecht. Via de keelholte en het strottenhoofd komt de lucht in de
luchtpijp terecht. De luchtpijp vertakt zich in twee bronchiën: één naar de linkerlong
en één naar de rechterlong. De bronchiën vertakken zich in steeds fijnere buisjes, de
luchtpijptakjes. Elk luchtpijptakje eindigt in een trosje klein longblaasjes.
Neusholte en mondholte
De neusholte is van binnen bedekt met neusslijmvlies dat door slijm producerende
cellen wordt gemaakt. Door het slijm is de binnenkant van de neusholte erg vochtig.
Hierdoor is de lucht bij het inademen door de neus ook vochtig. Dicht onder het
neusslijmvlies lopen veel bloedvaatjes. Het bloed verwarmt het neusslijmvlies. De
binnenstromende lucht wordt hierdoor verwarmd. Lucht die je inademt is meestal niet
helemaal schoon. Vaak zitten er stofdeeltjes en ziekteverwekkers in. Vooraan in de
neusholte groeien neusharen die grote stofdeeltjes tegenhouden. Dieper in de
neusholte liggen in het neusslijmvlies trilhaarcellen. Aan het slijm uit de slijm
producerende cellen blijven ingeademde kleine stofdeeltjes en ziekteverwekkers
kleven. De trilharen maken een golvende beweging, waardoor het slijm naar de
keelholte gaat en je het doorslikt. Dankzij de neusharen en het neusslijmvlies komen
veel ingeademde stofdeeltjes en ziekteverwekkers niet in de longblaasjes terecht.
Boven in de neusholte bevindt zich het reukzintuig. Dat keurt de binnenstromende
lucht en waarschuwt je als er stinkende gassen in voorkomen.
Keelholte en strottenhoofd
Na de neusholte of mondholte komt de lucht in je keelholte terecht. Tussen de
keelholte en de luchtpijp ligt het strottenhoofd. Je kunt het strottenhoofd aan de
buitenkant van je keel voelen als de adamsappel. In je strottenhoofd liggen je
stembanden. Die gebruik je als je praat. De keelholte is een kruispunt. De weg die
het voedsel aflegt, kruist de weg die de lucht aflegt (van neusholte naar luchtpijp). Als
je ademhaalt, staan alle wegen naar dit kruispunt open. De lucht kan dan van je
neusholte via je luchtpijn naar je longen stromen en terug. Als je voedsel inslikt, sluit
Gaswisseling bij dieren.
Bij alle organismen wordt bij de verbranding in hun cellen zuurstof verbruikt. Hierbij
ontstaat koolstofdioxide. Organismen nemen zuurstof op uit hun milieu en geven
koolstofdioxide aan hun milieu af. Het opnemen van zuurstof en het afgeven van
koolstofdioxide wordt gaswisseling genoemd.
Eencellige dieren hebben geen aparte organen voor gaswisseling. Bij hen vindt
gaswisseling plaats via het celmembraan. Zij nemen zuurstof direct uit hun milieu op
en geven koolstofdioxide daaraan af.
Veel meercellige dieren bezitten wel aparte organen om zuurstof op te nemen en
koolstofdioxide af te geven. Hun huid is vaak ondoorlaatbaar voor zuurstof en
koolstofdioxide. Gaswisseling vindt bij hen plaats in speciale ademhalingsorganen.
Tracheeën
Insecten hebben tracheeën. Tracheeën zijn sterk vertakte luchtbuizen in het lichaam
van een insect. Via openingen komt lucht in het tracheeënstelsel. Deze openingen
heten stigma’s. De fijne vertakkingen van de tracheeën eindigen overal in het
lichaam. Daardoor kan lucht met zuurstof overal in het lichaam van een insect
terechtkomen. Alle vertakkingen samen hebben een groot oppervlak, zodat de
gaswisseling snel plaatsvindt. Zuurstof wordt vanuit de lucht in de tracheeën
opgenomen in de cellen van het insect. De cellen geven koolstofdioxide af aan de
lucht in de tracheeën. Bij veel soorten insecten bevinden de stigma’s zich vooral in
het achterlijf. Door pompende bewegingen te maken, verversen deze insecten de
licht in de tracheeën.
Kieuwen
Met kieuwen kunnen organismen zuurstof uit water opnemen en koolstofdioxide
afgeven. Vissen en jonge amfibieën hebben kieuwen.
Bij een vis liggen de kieuwen vlak achter de kop in de kieuwholten. De kieuwholten
zijn bedekt door kieuwdeksels. Elke kieuw bestaat uit een kieuwboog met daarop
een groot aantal kieuwplaatjes. In de kieuwplaatsjes liggen veel fijne bloedvaatjes
(haarvaten). Samen hebben de kieuwplaatjes een groot oppervlak waardoor vissen
veel zuurstof in het bloed kunnen opnemen en koolstofdioxide afgeven.
Vissen verversen het water in de kieuwholten voortdurend. Dat kun je goed zien bij
een vis in een aquarium. Je zien zijn bek open- en dichtgaan. Ook de kieuwdeksels
kun je open en dicht zien gaan. Als de bek van de vis opengaat, stroomt vers water
de mondholte in. Daarna sluit de vis zijn bek en beweegt de mondbodem omhoog.
Het water wordt nu vanuit de mondholte in de kieuwholten geperst. Het water stroomt
tussen de kieuwplaatjes door er vindt gaswisseling plaats. Het water verlaat de vis
doordat de kieuwdeksels opengaan. Hierna gaan de kieuwdeksels weer dicht en
gaat de bek weer open, waarna er een nieuwe hoeveelheid water de mondholte in
stroomt.
, Kieuwen werken niet in de lucht. Dit komt doordat de kieuwplaatjes aan elkaar kleven
waardoor de oppervlakte voor de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide te klein
wordt. Wanneer amfibieën zoals kikkers en salamanders volwassen worden,
verdwijnen de kieuwen. De huid van amfibieën is bedekt met een slijmlaag. Onder
de huid stromen veel kleine bloedvaatjes. Via hun huid nemen volwassen amfibieën
zuurstof op uit de lucht en geven koolstofdioxide aan af. Ook bezitten volwassen
amfibieën eenvoudige longen. Sommige kikkers en salamanders overwinteren op de
bodem van een vijver of een sloot. Ze kunnen dan via de huis zuurstof opnemen.
Longe
Reptielen, vogels en zoogdieren hebben alleen longen. Bij reptielen, vogels en
zoogdieren is de huid ondoorlaatbaar voor gassen. Ook bij reptielen en zoogdieren
die in het water leven, vindt alleen gaswisseling in de longen plaats. Deze dieren
moeten dan ook regelmatig naar het wateroppervlak gaan om adem te halen.
Het ademhalingsstelsel van een mens.
Je ademt lucht in door je neus of door je mond. De lucht komt dan in de neusholte of
in de mondholte terecht. Via de keelholte en het strottenhoofd komt de lucht in de
luchtpijp terecht. De luchtpijp vertakt zich in twee bronchiën: één naar de linkerlong
en één naar de rechterlong. De bronchiën vertakken zich in steeds fijnere buisjes, de
luchtpijptakjes. Elk luchtpijptakje eindigt in een trosje klein longblaasjes.
Neusholte en mondholte
De neusholte is van binnen bedekt met neusslijmvlies dat door slijm producerende
cellen wordt gemaakt. Door het slijm is de binnenkant van de neusholte erg vochtig.
Hierdoor is de lucht bij het inademen door de neus ook vochtig. Dicht onder het
neusslijmvlies lopen veel bloedvaatjes. Het bloed verwarmt het neusslijmvlies. De
binnenstromende lucht wordt hierdoor verwarmd. Lucht die je inademt is meestal niet
helemaal schoon. Vaak zitten er stofdeeltjes en ziekteverwekkers in. Vooraan in de
neusholte groeien neusharen die grote stofdeeltjes tegenhouden. Dieper in de
neusholte liggen in het neusslijmvlies trilhaarcellen. Aan het slijm uit de slijm
producerende cellen blijven ingeademde kleine stofdeeltjes en ziekteverwekkers
kleven. De trilharen maken een golvende beweging, waardoor het slijm naar de
keelholte gaat en je het doorslikt. Dankzij de neusharen en het neusslijmvlies komen
veel ingeademde stofdeeltjes en ziekteverwekkers niet in de longblaasjes terecht.
Boven in de neusholte bevindt zich het reukzintuig. Dat keurt de binnenstromende
lucht en waarschuwt je als er stinkende gassen in voorkomen.
Keelholte en strottenhoofd
Na de neusholte of mondholte komt de lucht in je keelholte terecht. Tussen de
keelholte en de luchtpijp ligt het strottenhoofd. Je kunt het strottenhoofd aan de
buitenkant van je keel voelen als de adamsappel. In je strottenhoofd liggen je
stembanden. Die gebruik je als je praat. De keelholte is een kruispunt. De weg die
het voedsel aflegt, kruist de weg die de lucht aflegt (van neusholte naar luchtpijp). Als
je ademhaalt, staan alle wegen naar dit kruispunt open. De lucht kan dan van je
neusholte via je luchtpijn naar je longen stromen en terug. Als je voedsel inslikt, sluit