Samenvatting opslag, uitscheiding en bescherming.
Een constant inwendig milieu.
Tussen de cellen van organen bevindt zich weefselvloeistof. De cellen nemen onder
andere zuurstof en voedingsstoffen op uit de weefselvloeistof. De cellen produceren
koolstofdioxide en andere afvalstoffen en geven deze af aan de weefselvloeistof. De
weefselvloeistof in je lichaam vormt één geheel en vormt samen met het
bloedplasma het inwendige milieu. De omgeving om je heen is het uitwendige milieu.
De lucht in je longen en de inhoud van je darmkanaal worden tot het uitwendige
milieu gerekend. In je lichaam vinden allerlei processen plaats om de samenstelling
van het inwendige milieu min of meer constant te houden. De samenstelling van het
inwendige milieu kan constant worden gehouden door opname, opslag en
uitscheiding van stoffen. Het inwendige milieu krijgt geen tekort aan stoffen, doordat
regelmatig stoffen worden opgenomen uit het uitwendige milieu. In het darmkanaal
worden voedingsstoffen opgenomen in het bloed en dat in de longen zuurstof wordt
opgenomen. Als er teveel van bepaalde stof in het inwendige milieu aanwezig is, kan
deze stof in bepaalde organen worden opgeslagen. De stof wordt dus aan het interne
milieu onttrokken, maar blijft wel in het lichaam aanwezig. Je hebt bijvoorbeeld
geleerd dat glucose in de lever en in de spieren wordt omgezet in glycogeen, dat
wordt opgeslagen. En je hebt geleerd dat vet wordt opgeslagen in het gele beenmerg
van pijpbeenderen en onder de huid. Ook bepaalde mineralen en sommige vitamines
worden opgeslagen. Eiwitten worden bij de mens niet opgeslagen. De opgeslagen
stoffen kunnen weer in het inwendige milieu worden gebracht. Dit gebeurt als in het
inwendige milieu een tekort aan een bepaalde stof dreigt te ontstaan. Als er te veel
van een bepaalde stof in het inwendige milieu voorkomt, kan deze stof worden
uitgescheiden. De stof wordt dan aan het interne milieu onttrokken en uit het lichaam
verwijderd. De longen geven koolstofdioxide uit het bloed af aan de lucht. Andere
uitscheidingsorganen zijn de lever en de nieren. Via de lever en de nieren worden
onder andere afvalstoffen en water uitgescheiden.
Bij het handhaven van een vrij constant inwendige milieu spelen hormonen, zintuigen
en zenuwcellen een belangrijke rol. Hormonen houden insuline en glucagon het
glucosegehalte van het bloed min of meer constant. Als het glucosegehalte van het
bloed hoger is dan 0,1% produceren de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier
meer insuline (en minder glucose). Onder invloed van insuline wordt glucose in de
lever en in de spieren omgezet in glycogeen. Het glycogeen wordt opgeslagen,
waardoor het glucosegehalte van het bloed daalt. Als het glucosegehalte van het
bloed lager wordt dan 0,1%, produceren de eilandjes van Langerhans meer glucagon
(en minder insuline). Onder invloed van glucagon wordt glycogeen in de lever en in
de spieren omgezet in glucose. De glucose wordt opgenomen in het bloed, waardoor
het glucosegehalte van het bloed stijgt.
Een constant inwendig milieu.
Tussen de cellen van organen bevindt zich weefselvloeistof. De cellen nemen onder
andere zuurstof en voedingsstoffen op uit de weefselvloeistof. De cellen produceren
koolstofdioxide en andere afvalstoffen en geven deze af aan de weefselvloeistof. De
weefselvloeistof in je lichaam vormt één geheel en vormt samen met het
bloedplasma het inwendige milieu. De omgeving om je heen is het uitwendige milieu.
De lucht in je longen en de inhoud van je darmkanaal worden tot het uitwendige
milieu gerekend. In je lichaam vinden allerlei processen plaats om de samenstelling
van het inwendige milieu min of meer constant te houden. De samenstelling van het
inwendige milieu kan constant worden gehouden door opname, opslag en
uitscheiding van stoffen. Het inwendige milieu krijgt geen tekort aan stoffen, doordat
regelmatig stoffen worden opgenomen uit het uitwendige milieu. In het darmkanaal
worden voedingsstoffen opgenomen in het bloed en dat in de longen zuurstof wordt
opgenomen. Als er teveel van bepaalde stof in het inwendige milieu aanwezig is, kan
deze stof in bepaalde organen worden opgeslagen. De stof wordt dus aan het interne
milieu onttrokken, maar blijft wel in het lichaam aanwezig. Je hebt bijvoorbeeld
geleerd dat glucose in de lever en in de spieren wordt omgezet in glycogeen, dat
wordt opgeslagen. En je hebt geleerd dat vet wordt opgeslagen in het gele beenmerg
van pijpbeenderen en onder de huid. Ook bepaalde mineralen en sommige vitamines
worden opgeslagen. Eiwitten worden bij de mens niet opgeslagen. De opgeslagen
stoffen kunnen weer in het inwendige milieu worden gebracht. Dit gebeurt als in het
inwendige milieu een tekort aan een bepaalde stof dreigt te ontstaan. Als er te veel
van een bepaalde stof in het inwendige milieu voorkomt, kan deze stof worden
uitgescheiden. De stof wordt dan aan het interne milieu onttrokken en uit het lichaam
verwijderd. De longen geven koolstofdioxide uit het bloed af aan de lucht. Andere
uitscheidingsorganen zijn de lever en de nieren. Via de lever en de nieren worden
onder andere afvalstoffen en water uitgescheiden.
Bij het handhaven van een vrij constant inwendige milieu spelen hormonen, zintuigen
en zenuwcellen een belangrijke rol. Hormonen houden insuline en glucagon het
glucosegehalte van het bloed min of meer constant. Als het glucosegehalte van het
bloed hoger is dan 0,1% produceren de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier
meer insuline (en minder glucose). Onder invloed van insuline wordt glucose in de
lever en in de spieren omgezet in glycogeen. Het glycogeen wordt opgeslagen,
waardoor het glucosegehalte van het bloed daalt. Als het glucosegehalte van het
bloed lager wordt dan 0,1%, produceren de eilandjes van Langerhans meer glucagon
(en minder insuline). Onder invloed van glucagon wordt glycogeen in de lever en in
de spieren omgezet in glucose. De glucose wordt opgenomen in het bloed, waardoor
het glucosegehalte van het bloed stijgt.