Doelstelling 1
Fenotype: de waarneembare eigenschappen van een individu
→ Het fenotype wordt bepaald door het genotype en milieufactoren
Genotype: de verzameling van genen in een cel
→ Gen: een deel van een chromosoom dat de
informatie bevat voor éééén erfelikee
eigenschap of een deel van een erfelikee
eigenschap
→ Allel: éééén van de genen van een genenpaar
- In lichaamscellen eomen genen in
paren voor; in geslachtscellen eomen
genen eneelvoudig voor
Ooe allelenpaar genoemd
Door tweelingonderzoee probeert men meer zicht te erikgen op de invloed die het genotype en
milieufactoren hebben op het fenotype
→ De individuen van een eeneiige tweeling hebben hetzelfde genotype
- Een eeneiige tweeling ean dus alleen uit twee meiskes of kongens bestaan
- Een eeneiige tweeling liket spreeend op eleaar
- Bik een eeneiige tweeling (die gescheiden opgroeit) ean worden onderzocht welee
invloed milieufactoren en genotype hebben op het fenotype
→ Een twee-eiige tweeling liket net zo veel op eleaar als broers en zussen, en ean van
verschillende geslacht zikn
Doelstelling 2
Chromosomen bestaan voor een groot deel uit DNA
DNA-sequentie: de volgorde van de vier verschillende bouwstenen (nucleotiden) waaruit DNA is
opgebouwd
→ Door de volgorde van deze vier bouwstenen ean erfelikee informatie in een code worden
opgeslagen en in het DNA
→ DNA-sequenties in de verschillende lichaamscellen van een organisme zikn voor het
overgrote deel gelike (mutaties zorgen voor eleine verschillen)
Genexpressie: het tot uiting eomen van een gen
→ Genexpressie verschilt per cel (weefsel)