Doelstelling 1
Milieuproblemen
→ Oorzaken
- Enorme bevolkingstoename (hoge bevolkingsdruk)
- Veranderede wijze van leven
→ Gevolgen
- Vervuiling van de lucht, water en bodem door afvalstofen
- Uitputting van de natuurlijke energiereserves en grondstofen
- Aantastng van het landschap
- Sterke vermindering van het aantal soorten planten en dieren
Doelstelling 2
Bemestng van de bodem met stalmest of kunstmest
→ Door het oogsten van voedingsgewassen en uitspoeling worden mineralen (voedingstofen)
aan de kringloop van stofen op landbouwgrond ontrokken
→ Door te bemesten worden mineralen (vooral stkstoooudende mineralen en fosfaat)
toegevoegd
Bescherming van voedingsgewassen kan door chemische of biologische bestrijding
Chemische bestrijding door middel van pestcidenn
→ Voordeeln
- Efecteve bestrijdingsmethode
→ Nadelenn
- Veel pestciden zijn niet soort-specifek
- Er ontstaan resistente populates
- Sommige pestciden zijn persistent (lijdt tot
accumulate)
Biologische bestrijding
→ Door gebruik van natuurlijke vijanden
→ Door lokken met geuren
→ Door vruchtwisseling (wisselteelt)
Verandering van erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen en landbouw dieren
→ Door veredeling ontstaan voedingsgewassen met een combinate van gunstge
eigenschappen
→ Door recombinant-DNA-technieken ontstaan voedingsgewassen met gunstge
eigenschappen
, → Kunstmatge inseminate (ki) – sperma van een ster met gunstge eigenschappen wordt
ingebracht in de baarmoeder van koeien
→ In-vitrofertlisate – bevruchte eicellen van de ouders met gunstge eigenschappen
verkregen, de klompjes cellen die zich uit de bevruchte eicellen ontwikkelen, worden
ingebracht in de baarmoeder van draagkoeien
→ Klonen van dieren
Doelstelling 3
Gangbare landbouw
→ Monoculturen – op grote landbouwarealen wordt één soort gewas verbouwd
→ Een belangrijk deel van veeteelt vindt plaats in intensive veehouderij (bio-industrie)
Nadelen van monoculturenn
→ Veel pestciden omdat de kans op een plaag groot is
→ Veel kunstmest wordt gebruikt
Biologische landbouw
→ Kleine arealen grond met verschillende soorten voedingsgewassen wisselen elkaar af (geen
monoculturen)
→ Ziekten en plagen bestreden met natuurlijke vijanden
→ Dieren krijgen voldoende ruimte (scharrelkippen en scharrelvarkens)
→ Producten van biologische landbouw heten ecologische voedingsmiddelen
Biomassaverlies – bij omzetting van planten naar dieren en verder treedt verlies van biomassa op
(efect is sterker bij zoogdieren dan bij insecten)
Doelstelling 4
Producenten nemen koolstofdioxide uit de
lucht op en produceren hiermee organische
stofen
→ Planten en cyanobacteriën zijn
producenten
Consumenten nemen de organische stofen
van andere organismen als voedsel op
→ Dieren zijn consumenten
Reducenten breken organische resten af
tot anorganische stofen
→ Schimmels en heterotrofe bacteriën zijn reducenten
Door verbranding van fossiele brandstofen komt extra koolstof (CO₂) in de koolstofringloop