Les 1: klinische redeneren
Klinische redeneren= de vaardigheid om eigen observaties en interpretaties te
koppelen aan medische kennis.
Competenties voor klinische redeneren:
• Kennis= weten
• Vaardigheden= kunnen
• Attitude= zijn
• Motivatie= willen
Modellen klinische redeneren:
Model bakker:
Model Tanner
Model Omaha:
Model nanda- noc- nic (NNN)
Nanda= stellen pvk diagnoses
Noc= beschrijven van resultaten
Nic= interventies kiezen
,Les 2: basis parameters:
Redeneer hulpen:
Ontlasting= Bristol schaal
Pijn= verschillende schalen zoals:
VAS= visual anlogue scale dat zijn de smileys
NRS= numeric rating scale dat zijn de cijfers van 0 tot 10
PACSLAC= dit is voor pijn in te schatten bij mensen met een verstandelijke
beperking en dementie
Voedingstoestand= SNAQ dit is een MUST checklist waarmee de
maten van ondervoeding vastgesteld word. De MUST bestaat uit 3
vragen die gaan over BMI, voedselinnamen en acute ziekte.
Wonden= 2 verschillende modellen
Timemodel
T= tissue -> hoe ziet de wond eruit? Is de wond rood, geel of zwart?
I= infection -> is er spraken van infectie?
M= moisture -> is de wond droog, vochtig of nat?
E= edge -> hoe zien de wondranden eruit? Verweekt, droog, rafelig, glad?
Brandenschaal= 6 indicatoren
Delier= DOSS-> delirium observatie screening is een hulpmiddel om te bepalen
of er spraken is van een delier dit zijn 13 vragen bij meer dan 3 punten is er
waarschijnlijk delier en minder dan 3 is er geen delier.
Mentaal welbevinden= SCEGS
S= somatiek -> de klachten.
C= cognitief -> eigen ideeën en gedachten over de klachten.
E= emoties -> gevoelens in relatie tot de klachten.
G= gedrag -> acties in verband met de klachten.
S= sociaal -> welke invloed is er op het dagelijks leven?
,Virale functies:
MEWS= Modified early warning score hoe meer punten hoe slechter.
ABCDE= = De ABCDE-methodiek is een werkwijze waarbij hulp wordt
verleend volgens het principe "treat first what kills first". Met andere
woorden: eerst de primaire (levensbedreigende) en vervolgens de
secundaire c.q. tertiaire (niet-direct dan wel niet-levensbedreigende)
letsels en stoornissen.
A= airway
B= breathing
C= circulation
D= disability
E= exposure
SBAR= Met de SBAR-methode
(Situation, Background,
Assessment, Recommendation)
kunt u de communicatie over een
Patiënt tussen verschillende
hulpverleners (bijvoorbeeld
tussen de arts en de
verpleegkundige) verbeteren.
, DENWIS= Dutch early nurse worry indicator score
Dit moet verpleegkundigen gaan ondersteunen bij het verwoorden van hun niet-
pluisgevoel
Parameters en normaalwaarde:
Reactiepatroon AVPU/EMV: streefwaarde= 94-98% streefwaarde 15
Oriëntatie vermogen: 15 is geheel bij bewustzijn dus ideaal dus dan
heeft de patiënt een besef van tijd, vraag, persoonlijke vragen
Pupil reactie: pupil wordt kleiner bij lichtinval.
Pijnscore: geen pijn dus normaal is tussen 0-4
Ademfrequentie: 12-18 per minuut bij een volwassen persoon
Ademhalingspatroon: regelmatig/ eupnoe
Ademgeruis: geen geluid
Saturatie SPO2: 96-100%
Kleur: huidskleur
NIBP MAP: MAP= gemiddelde artiële druk 50-60
Hartfrequentie pulsatie: 0-100 keer per minuut
Hartritme: regelmatig= meten met EEG
Halvenen/ CVD: niet voelbaar en zichtbaar dus niet opgezet
Capillaire refilltijd: snelle terug kleuring van de huid van wit naar rood 2
seconden is normaal.
Diurese: 1 tot 1,5 liter per 24 uur urine
Huidturgor: vormt snel terug
Slijmvliezen controle: vochtig en glanzend
Acute gewichtsverandering: 2% gewichtstoenamen/ afnamen
Kerntemperatuur: 36.5 – 37,5 graden -> 38.5 is koorts
Peristaltiek/ defecatiepatroon: licht borrelend geluid, regelmatig geen
pijn en 1 tot 2 keer per dag ontlasting