Verplichte arresten Burgerlijk recht 3
1
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit
Groningen
,Burgerlijk recht 3 Arresten 2017/2018
Inhoudsopgave
College 1: Aansprakelijkheid (I)..............................................................................................................3
College 2: Aansprakelijkheid (II).............................................................................................................9
College 3: Aansprakelijkheid (III)..........................................................................................................20
College 4: Aansprakelijkheid (IV)..........................................................................................................27
College 5: Aansprakelijkheid (V)...........................................................................................................38
College 6: Schadevergoeding (I)...........................................................................................................51
College 7: Schadevergoeding (II)..........................................................................................................64
College 8: Schadevergoeding (III).........................................................................................................71
College 9: Schadevergoeding (IV).........................................................................................................87
College 10: De invloed van Europa op het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht..............100
College 11: Overige verbintenissen uit de wet...................................................................................111
2
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit
Groningen
,Burgerlijk recht 3 Arresten 2017/2018
College 1: Aansprakelijkheid (I)
Naam Zwiepende tak
Rechtsvraag Levert het enkele in het leven roepen van een gevaarlijke situatie
al een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 (lid 2) BW op
omdat dat in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid?
Kort antwoord Nee
Samenvatting feitencomplex Werink schopt tijdens een boswandeling tegen een tak, die
vervolgens terugzwiept in het oog van Hudepohl. Laatstgenoemde
verliest als gevolg daarvan zijn rechteroog en betoogt dat Werink
voor die schade aansprakelijk is uit hoofde van art. 6:162 BW
Belangrijkste overwegingen 3.4.
Onderdeel I van het middel, dat dit oordeel bestrijdt, gaat terecht
ervan uit dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval,
als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar,
dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig
gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate
van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel
door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader
zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had
moeten onthouden.
Het onderdeel verwijt het Hof zulks bij het geven van zijn
hiervoor weergegeven oordeel te hebben miskend.
3.6.
Naar onderdeel I met juistheid betoogt, heeft het Hof, door te
oordelen gelijk het heeft gedaan, de hiervoor onder 3.4
omschreven maatstaf miskend.
Weliswaar heeft het Hof overwogen dat (Werink zich had moeten
realiseren dat) een tak waartegen wordt getrapt, kan terugzwiepen
en een ander kan verwonden, alsmede dat Werink rekening had
moeten houden met de mogelijkheid dat Hudepohl zich in zijn
onmiddellijke nabijheid bevond. Maar het Hof heeft niet
onderzocht of de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als
het onderhavige doordat de tak als gevolg van de door Werink
daartegen gegeven schop ernstig letsel aan de achter hem lopende
Hudepohl zou kunnen toebrengen, zo groot was dat Werink zich,
naar de eisen van de hem jegens Hudepohl betamende
zorgvuldigheid, van het geven van die schop had behoren te
onthouden.
Geparafraseerde rechtsregel Het scheppen van een gevaarlijke situatie is alleen dan
onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een
ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich
naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten
onthouden.
Annotatie C.J.H Brunner Wanneer er zaak- of letselschade ontstaat, is daarmee niet steeds
sprake van een inbreuk op een subjectief recht. Anders dan de
rechtbank in deze zaak kennelijk oordeelde, is onrechtmatigheid
immers een kwalificatie van gedrag, en niet van schade. Met
‘inbreuk op een recht’ in de zin van art. 6:162 lid 2 BW wordt
bedoeld een gedraging die zelf inbreuk maakt op een recht, omdat
zij in strijd komt met de exclusieve bevoegdheden of
persoonlijkheidsrechten van de rechthebbende. Andersom is het
ook niet zo dat iedere inbreuk op een subjectief recht tevens
3
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit
Groningen
,Burgerlijk recht 3 Arresten 2017/2018
maatschappelijk onzorgvuldig moet zijn. Dan zou de eerste
onrechtmatigheidscategorie worden opgeslokt door de derde,
hetgeen kennelijk in strijd is met art 6:162 lid 2 BW. Een
handeling die zelf geen inbreuk op een recht maakt is pas
onzorgvuldig als het gevaar zo groot was dat de dader zich ervan
had behoren te onthouden (gelet op de Kelderluik-criteria).
Naam Jetblast
Rechtsvraag Moet degene die een gevaarscheppende situatie in het leven roept
voor het gevaar waarschuwen om aan aansprakelijkheid te
ontsnappen? En zo ja, hoe dan?
Kort antwoord Ja. De waarschuwing moet bovendien voldoende precies zijn,
zodanig dat de waarschuwing zal leiden tot handelen of nalaten
waardoor het gevaar wordt vermeden. Daarbij kan dienstig zijn
aan te geven welk gedrag van het publiek wordt verwacht.
Samenvatting feitencomplex Hartman begeeft zich bij de startbaan van een opstijgende Boeing
747 en wordt door een ‘jetblast’ tegen de rotsen aan geblazen. De
schade die zij daardoor oploopt wil zij vergoed zien van de
luchthaven (PJIAE). De luchthaven verweert zich met de stelling
dat er waarschuwingsborden stonden en dat Hartman zich buiten
de zeggenschap van de luchthaven bevond.
Belangrijkste overwegingen 3.4.3
Aan zijn voormelde oordeel heeft het hof, behalve de
omstandigheid dat PJIAE geen zeggenschap had over de plaats
waar Hartmann de jetblast heeft ondervonden, mede ten grondslag
gelegd dat Hartmann gezien de tekst op de door PJIAE aan het
hek aangebrachte waarschuwingsborden op de hoogte kon zijn
van het gevaar waaraan zij mogelijk zou worden blootgesteld.
Indien het hof, aldus overwegende, tot uitdrukking heeft gebracht
dat, wil een waarschuwingsbord kunnen worden aangemerkt als
een afdoende maatregel om het publiek tegen een gevaar te
waarschuwen, voldoende is dat het publiek door dit bord op de
hoogte kan zijn van dit gevaar, is het hof uitgegaan van een
onjuiste rechtsopvatting. Voor het antwoord op de vraag of een
waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel
met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar, is van
doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze
waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit
gevaar wordt vermeden. Als het hof deze maatstaf niet heeft
miskend, heeft het zijn kennelijke oordeel dat aan deze maatstaf is
voldaan, in het licht van de in dit geval vaststaande
omstandigheden ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers,
in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat PJIAE kon verwachten
dat het publiek zich zou opstellen in de zeer directe omgeving van
het aan de zijde van Maho Beach geplaatste hek (rov. 4.4, derde
gedachtestreepje), en Hartmann heeft in appel gesteld — welke
stelling door PJIAE niet is bestreden en door het hof niet onjuist is
bevonden — dat toeristen ondanks de waarschuwingsborden in
groten getale vanaf die plaats naar vliegtuigen kijken. Voorts heeft
het hof niet in zijn oordeel betrokken de door Hartmann
aangevoerde stelling dat uit de tekst van de waarschuwingsborden
niet duidelijk blijkt om welk concreet gevaar het gaat. Ook in
zoverre heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in de
gedachtegang die heeft geleid tot zijn oordeel dat Hartmann op de
4
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit
Groningen
, Burgerlijk recht 3 Arresten 2017/2018
hoogte kon zijn van het gevaar waaraan zij zou kunnen worden
blootgesteld.
3.4.4
Het hof heeft voor zijn oordeel dat het plaatsen van
waarschuwingsborden in beginsel een afdoende maatregel is, 'met
name' van belang geacht de hiervoor besproken omstandigheden
dat, kort gezegd, PJIAE geen zeggenschap heeft over de plaats
waar Hartmann zich bevond en dat Hartmann op de hoogte kon
zijn van het gevaar. Aldus heeft het hof onvoldoende duidelijk
gemaakt welke andere omstandigheden het bij zijn oordeel nog
voor ogen heeft gehad. Onderdeel 2.c is derhalve eveneens
gegrond.
Geparafraseerde rechtsregel Voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden
beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op
bescherming tegen een bepaald gevaar, is van doorslaggevende
betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden
tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden.
De waarschuwing moet daarom voldoende precies zijn. Daaraan
kan bijdragen dat de waarschuwing aangeeft welk handelen of
nalaten van het publiek wordt verwacht om het gevaar te
vermijden. Gebrek aan zeggenschap staat in dit verband niet aan
aansprakelijkheid in de weg.
Annotatie C.J.H Brunner In het algemeen geldt voor gevaarzetting dat de onzorgvuldigheid
moet worden beoordeeld aan de hand van de mate van
waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste
oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de kans
dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst van de gevolgen en de
bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen
(Kelderluik).
Deze casus onderscheidt zich echter van het Kelderluik-arrest,
omdat de benadeelde niet werd blootgesteld aan een gevaar
waarmee zij onbekend was, maar juist aan een gevaar waarvoor
zij was gewaarschuwd. Men zou ook kunnen betogen dat
roekeloosheid van het slachtoffer niet voor rekening komt van
degene die het gevaar heeft geschapen. Bij de vraag naar
aansprakelijkheid spelen in dit verband de wijze van
waarschuwing, de leeftijd en de ervaring van degene die aan het
gevaar wordt blootgesteld een rol. Gelet op die factoren ligt het in
de rede dat niet de luchthaven maar het Eilandgebied St. Maarten
aansprakelijk is, die de taak heeft te waken voor de veiligheid van
het verkeer op de betreffende strandweg.
Het Hof van de Antillen waarnaar de zaak werd terugverwezen
moest alsnog onderzoeken of Hartman bewust het risico had
genomen dat zij letsel zou oplopen.
Naam Skeelerongeval
Rechtsvraag Staat het enkele feit dat de benadeelde zich vrijwillig aan een
risico heeft blootgesteld in de weg aan de aansprakelijkheid, of
moet degene die controle heeft over de situatie ook dan
veiligheidsmaatregel treffen?
Kort antwoord Nee. In beginsel doet het feit dat benadeelde zich heeft
blootgesteld aan een risico geen afbreuk aan de plicht om
veiligheidsmaatregelen te treffen. De eigen verantwoordelijkheid
5
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit
Groningen