De student kan aangeven wat de relatie is tussen kritisch denken en het
verpleegkundig proces
Kritisch denken is het denken ten dele ‘denken over je denken’ is. Als je de kwaliteit van je
eigen denken controleert, zou je een basisreeks met intellectuele kwaliteitseisen moeten
aanpassen. Dat wil zegen dat je denken controleren op duidelijkheid, nauwkeurigheid,
precisie, breedte, diepte en logica.
Er zijn iedere dag momenten dat verpleegkundige effectief functioneren zonder dat ze
kritisch denken. Veel besluiten worden op basis van gewoonte genomen en zonder al te veel
na denken: welke kleren je die dag aantrekt, welke route naar het werk je neemt en wat je
die dag zal eten. Voor sommige verpleegtechnische vaardigheden, zoals het bedienen van
een hartmonitor waarmee je goed bekend bent, hoef je minimaal te denken. Maar voor het
verpleegkundig proces is kritisch denken essentieel. Verpleegkundigen moeten in iedere
fase van het verpleegkundige proces kritisch nadenken. Hieronder zijn de vaardigheden voor
kritisch denken gecursiveerd.
Bij een anamnese hebben verpleegkundige een onderzoekende houding wanneer ze feiten,
principes, theorieën, abstracties, deducties en interpretaties gebruiken om patiëntgegevens
te verzamelen.
Om op waarde te schatten wat de patiënt zegt moet de verpleegkundige een betrouwbare
observatie verrichten en een onderscheid aanbrengen in relevante en irrelevante gegevens
en in belangrijke en onbelangrijke gegevens
Ook orderenen en ordenen en categoriseren verpleegkundigen deze relevantie en
belangrijke gegevens op een systematische manier, mogelijk gebaseerd op een
verpleegkundige theorie. Bovendien stellen ze vast welke gegevens ontbreken en proberen
ze deze hiaten te vullen.
, Kritisch denken en het verpleegkundig proces zijn onderling afhankelijk maar niet identiek
11 FGP’s benoemen + anamnese gegevens;
1. Gezondheidsbevordering therapieontrouw, infectiegevaar, valgevaar
2. Voedingspatroon gewicht, huidproblemen, misselijkheid, weefseldefect (decubitus)
3. Uitscheidingspatroon urine, ontlasting, transpireren
4. Activiteitenpatroon
5. Slaap-en rustpatroon
6. Cognitiepatroon geheugen, pijn, kennistekort, verwardheid
7. Zelfbelevingspatroon hoe kijk je naar jezelf, angst,
8. Rollen-en relatiepatroon eenzaam?, sociale isolatie,
9. Seksualiteitspatroon
10. Stressverwerkingspatroon suïcidedreiging, gezinscoping, mantelzorgtekort, PTTS,
zelfverminking
11. Waarden/overtuigingspatroon
Subjectieve en objectieve gegevens;
- Subjectief niet meetbaar of observeerbaar. Wat de cliënt je vertelt. Gegevens
berusten op meningen en inzichten ipv feiten.
- Objectief kunnen ook door iemand anders dan de cliënt zelf worden
waargenomen (door cliënt te observeren). Voorbeelden: polsslag, kleur van de huid,
mictie, uitslagen van onderzoeken etc.
- Primaire gegevensbron de cliënt of de verpleegkundige zelf
- Secundaire gegevensbron andere bronnen dan de cliënt zelf
Verschil observeren + interpretatie van de observatie