Leerdoelen week 1 Materieel strafrecht
De student kan de bronnen van het materiële strafrecht benoemen.
Ex artikel 107 Gw moeten het strafrecht en strafprocesrecht in algemene wetboeken
worden ondergebracht, behoudens de bevoegdheid voor de wetgever bepaalde
onderwerpen in afzonderlijke wetten.
Er zijn verschillende bronnen voor het materiële strafrecht, namelijk:
Wetboek van Strafrecht
Ongeschreven recht
Internationale verdragen
Supranationaal recht
Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht heeft een centrale plaats in de Nederlandse
strafwetgeving. Het eerste boek bevat algemene bepalingen die van toepassing zijn
voor de gehele strafwetgeving. Daarmee worden niet alleen de strafbare feiten
bedoeld die opgenomen zijn in het Wetboek van Strafrecht, maar ook de strafbare
feiten in de bijzondere wetten en verordeningen.
In het Wetboek van Strafrecht is sprake van een tweedeling:
Tweede Boek misdrijven
Derde Boek overtredingen
De plaatsing voor het strafbare feit is dus beslissend voor de vraag of men met een
misdrijf of overtreding te maken heeft.
Ongeschreven recht
Ex artikel 16 Gw is geen feit strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.
Dat in Nederland voor strafbaarheid een wet is vereist, betekent niet dat voor
ongeschreven recht geen plaats is.
De strafbaarheid mag niet op ongeschreven recht worden gebaseerd, maar
op de wet gebaseerde strafbaarheid mag wel op grond van ongeschreven
recht worden ingeperkt.
Internationale verdragen
Op grond van artikel 93 Gw hebben bepalingen van verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties verbindende kracht nadat zij bekend gemaakt zijn.
Op grond van artikel 94 Gw hebben nationale wettelijke bepalingen geen toepassing,
indien deze toepassing in strijd is met een ieder verbindende bepalingen van
verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Verschillende vragen die rechtstreekse werking hebben zijn:
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de
fundamentele vrijheden (EVRM)
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
Deze verdragen spelen vooral een rol op het terrein van het strafprocesrecht, maar
dat neemt niet weg dat zij ook voor het materiële strafrecht van betekenis zijn.
,Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens brengt ook zogenoemde
‘positieve verplichtingen’ met betrekking tot het materiële strafrecht met zich mee.
Mensenrechten kunnen de nationale wetgever verplichten tot het creëren
van een strafbaarstelling en de rechter dwingen tot een bepaalde
interpretatie van een delictsomschrijving.
Supranationaal recht
Bij verdragen van het supranationale recht geeft Nederland een deel van haar
strafrechtelijke autonomie prijs.
In dit verband moet vooral gewezen worden op het recht van de Europese Unie, dat
voor het strafrecht van zeer groot belang is. Het recht van de Europese Unie
beïnvloedt namelijk op vele terreinen het nationale strafrecht.
Het Europese Unie-recht heeft zowel positieve als negatieve invloeden.
Positieve invloeden De Europese Unie heeft, wat betreft het materiële
strafrecht de bevoegdheid bij richtlijnen ‘minimum-
voorschriften’ vast te stellen ‘betreffende de bepaling van
strafbare feiten en sancties’ op een breed terrein van
criminaliteit.
Negatieve invloeden De negatieve invloed gaat uit van de vrije verkeers-
rechten, zoals het vrije verkeer van diensten en het vrije
verkeer van goederen.
Dat betekent dat de nationale wetgeving geen inbreuk
mag maken op deze rechten. De wetgeving die dit wel
doet, moet worden ingetrokken of aangepast.
Deze invloeden van het Europese Unie-recht raken ook de strafrechter.
, De student kan uitleggen wat het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel
inhoudt.
Om de burger te beschermen tegen willekeur dient de overheid bij de uitoefening van
macht gebonden te zijn aan regels. Bestraffing is een zeer ingrijpende vorm van
machtsuitoefening. Het is dan ook te begrijpen dat verlangd wordt dat de regels op
grond waarvan de overheid straft, een wettelijke basis hebben.
Uit deze gedachte is het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel voortgekomen.
Het beginsel houdt in dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke bepaling.
Dit beginsel is neergelegd in artikel 16 Gw jo. artikel 1 Sr.
Terugwerkende kracht is uitgesloten aangezien het moet gaan om een bepaling die
voor het begaan van een strafbaar feit is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht.
Het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel komt voort uit een andere regel, namelijk
de regel van nulla poena sine praevia lega poenali.
Deze regel is opgesteld door Von Feuerbach. Hij legde niet het accent op de
bescherming van de burgers tegen willekeurige bestraffing. Hij presenteerde de regel
als een onderdeel van de door hem verdedigde psychologische dwang. De
bedreigde straf diende zodanig zwaar te zijn dat de strafbedreiging een
psychologische drang uitoefent op de burgers zodat zij het recht niet zullen
schenden.
Von Feuerbach richtte zich dan ook vooral op de effectiviteit van het strafrecht. Hij
verwachtte dat de burgers hun gedrag op de strafwet zouden afstemmen als gevolg
van de daarvan uitgaande psychologische dwang.
Dit optimisme wordt tegenwoordig niet meer gedeeld. Wel zijn we van
mening dat de burger in ieder geval de mogelijkheid moet hebben om zijn
gedrag op de strafwet af te stemmen. De burger moet namelijk in staat zijn
de (strafrechtelijke) gevolgen van zijn gedrag van te voren met een zekere
mate van nauwkeurigheid te berekenen.
Eis van de rechtszekerheid
Om deze reden dat de burgers hun gedrag af zouden stemmen op de strafwet,
vereiste Von Feuerbach een van te voren uitgevaardigde wet die aanwees wat de
strafbare feiten waren en welke straffen daarop stonden. Bovendien verlangde hij dat
de bedreigde straf steeds werd opgelegd als het strafbare feit werd gepleegd. Van de
strafbedreiging kon alleen maar een psychologische dwang uitgaan als de dader
zeker wist dat de straf op de zonde zou volgen.
Von Feuerbach vatte zijn leer samen in een drietal bondig geformuleerde stelregels:
1. Iedere toepassing van de straf kan slechts gebaseerd zijn op een
voorafgegane strafwet (nulla poena sine pravia lege).
2. De toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet met straf
bedreigde gedraging heeft plaatsgevonden (nulla poena sine crimine).
3. De wettelijk met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg dat de door
de wet daarop gestelde straf wordt toegepast (nullum crimen sine poena
legali).
De student kan de bronnen van het materiële strafrecht benoemen.
Ex artikel 107 Gw moeten het strafrecht en strafprocesrecht in algemene wetboeken
worden ondergebracht, behoudens de bevoegdheid voor de wetgever bepaalde
onderwerpen in afzonderlijke wetten.
Er zijn verschillende bronnen voor het materiële strafrecht, namelijk:
Wetboek van Strafrecht
Ongeschreven recht
Internationale verdragen
Supranationaal recht
Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht heeft een centrale plaats in de Nederlandse
strafwetgeving. Het eerste boek bevat algemene bepalingen die van toepassing zijn
voor de gehele strafwetgeving. Daarmee worden niet alleen de strafbare feiten
bedoeld die opgenomen zijn in het Wetboek van Strafrecht, maar ook de strafbare
feiten in de bijzondere wetten en verordeningen.
In het Wetboek van Strafrecht is sprake van een tweedeling:
Tweede Boek misdrijven
Derde Boek overtredingen
De plaatsing voor het strafbare feit is dus beslissend voor de vraag of men met een
misdrijf of overtreding te maken heeft.
Ongeschreven recht
Ex artikel 16 Gw is geen feit strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.
Dat in Nederland voor strafbaarheid een wet is vereist, betekent niet dat voor
ongeschreven recht geen plaats is.
De strafbaarheid mag niet op ongeschreven recht worden gebaseerd, maar
op de wet gebaseerde strafbaarheid mag wel op grond van ongeschreven
recht worden ingeperkt.
Internationale verdragen
Op grond van artikel 93 Gw hebben bepalingen van verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties verbindende kracht nadat zij bekend gemaakt zijn.
Op grond van artikel 94 Gw hebben nationale wettelijke bepalingen geen toepassing,
indien deze toepassing in strijd is met een ieder verbindende bepalingen van
verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Verschillende vragen die rechtstreekse werking hebben zijn:
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de
fundamentele vrijheden (EVRM)
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
Deze verdragen spelen vooral een rol op het terrein van het strafprocesrecht, maar
dat neemt niet weg dat zij ook voor het materiële strafrecht van betekenis zijn.
,Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens brengt ook zogenoemde
‘positieve verplichtingen’ met betrekking tot het materiële strafrecht met zich mee.
Mensenrechten kunnen de nationale wetgever verplichten tot het creëren
van een strafbaarstelling en de rechter dwingen tot een bepaalde
interpretatie van een delictsomschrijving.
Supranationaal recht
Bij verdragen van het supranationale recht geeft Nederland een deel van haar
strafrechtelijke autonomie prijs.
In dit verband moet vooral gewezen worden op het recht van de Europese Unie, dat
voor het strafrecht van zeer groot belang is. Het recht van de Europese Unie
beïnvloedt namelijk op vele terreinen het nationale strafrecht.
Het Europese Unie-recht heeft zowel positieve als negatieve invloeden.
Positieve invloeden De Europese Unie heeft, wat betreft het materiële
strafrecht de bevoegdheid bij richtlijnen ‘minimum-
voorschriften’ vast te stellen ‘betreffende de bepaling van
strafbare feiten en sancties’ op een breed terrein van
criminaliteit.
Negatieve invloeden De negatieve invloed gaat uit van de vrije verkeers-
rechten, zoals het vrije verkeer van diensten en het vrije
verkeer van goederen.
Dat betekent dat de nationale wetgeving geen inbreuk
mag maken op deze rechten. De wetgeving die dit wel
doet, moet worden ingetrokken of aangepast.
Deze invloeden van het Europese Unie-recht raken ook de strafrechter.
, De student kan uitleggen wat het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel
inhoudt.
Om de burger te beschermen tegen willekeur dient de overheid bij de uitoefening van
macht gebonden te zijn aan regels. Bestraffing is een zeer ingrijpende vorm van
machtsuitoefening. Het is dan ook te begrijpen dat verlangd wordt dat de regels op
grond waarvan de overheid straft, een wettelijke basis hebben.
Uit deze gedachte is het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel voortgekomen.
Het beginsel houdt in dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke bepaling.
Dit beginsel is neergelegd in artikel 16 Gw jo. artikel 1 Sr.
Terugwerkende kracht is uitgesloten aangezien het moet gaan om een bepaling die
voor het begaan van een strafbaar feit is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht.
Het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel komt voort uit een andere regel, namelijk
de regel van nulla poena sine praevia lega poenali.
Deze regel is opgesteld door Von Feuerbach. Hij legde niet het accent op de
bescherming van de burgers tegen willekeurige bestraffing. Hij presenteerde de regel
als een onderdeel van de door hem verdedigde psychologische dwang. De
bedreigde straf diende zodanig zwaar te zijn dat de strafbedreiging een
psychologische drang uitoefent op de burgers zodat zij het recht niet zullen
schenden.
Von Feuerbach richtte zich dan ook vooral op de effectiviteit van het strafrecht. Hij
verwachtte dat de burgers hun gedrag op de strafwet zouden afstemmen als gevolg
van de daarvan uitgaande psychologische dwang.
Dit optimisme wordt tegenwoordig niet meer gedeeld. Wel zijn we van
mening dat de burger in ieder geval de mogelijkheid moet hebben om zijn
gedrag op de strafwet af te stemmen. De burger moet namelijk in staat zijn
de (strafrechtelijke) gevolgen van zijn gedrag van te voren met een zekere
mate van nauwkeurigheid te berekenen.
Eis van de rechtszekerheid
Om deze reden dat de burgers hun gedrag af zouden stemmen op de strafwet,
vereiste Von Feuerbach een van te voren uitgevaardigde wet die aanwees wat de
strafbare feiten waren en welke straffen daarop stonden. Bovendien verlangde hij dat
de bedreigde straf steeds werd opgelegd als het strafbare feit werd gepleegd. Van de
strafbedreiging kon alleen maar een psychologische dwang uitgaan als de dader
zeker wist dat de straf op de zonde zou volgen.
Von Feuerbach vatte zijn leer samen in een drietal bondig geformuleerde stelregels:
1. Iedere toepassing van de straf kan slechts gebaseerd zijn op een
voorafgegane strafwet (nulla poena sine pravia lege).
2. De toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet met straf
bedreigde gedraging heeft plaatsgevonden (nulla poena sine crimine).
3. De wettelijk met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg dat de door
de wet daarop gestelde straf wordt toegepast (nullum crimen sine poena
legali).