Voordat aan de delictsomschrijving is voldaan (menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van
de wet, die wederrechtelijk en verwijtbaar is) kan er ook al eerder sprake zijn van een strafaar eit.
Iemand die probeert aan zo’n delictsomschrijving te voldoen, maar hier niet in slaagt kan ook al
strafaar zijn. Diegene wil dan een strafaar eit plegen maar dit lukt hem niet, en precies deze wil,
die laat de wet niet strafeloos. Door art. 45 Sr is de poging strafaar gesteld. Poging betekent het al
eitelijk gaan uitvoeren van een strafaar eit.
Het is lastg en grens te trekken tussen poging en wat daar allemaal aan voora gaat. Voorbereiding is
strafaar gesteld in art. 46 Sr, bij voorbereiding kun je denken aan dat alle middelen in huis zijn
gehaald om iets illegaals te maken maar dat dit nog niet is gebeurd.
Je zou bijna denken dat een plan om een strafaar eit dan ook strafaar zou moeten worden
gesteld, maar gedachten zijn vrij, en nooit strafaar. el kan strafaar worden gesteld als je in
overtreding bent met art. 96 Sr (staatsgevaarlijke misdrijven). Deze delicten kunnen in een vroeg
stadium al worden bestreden.
5.2 Poging
Geregeld in art. 45 Sr lid 1: een poging tot misdrijf is strafaar, wanneer het voornemen van de dader
zich door een begin van uitvoering heef geopenbaard.
Hieruit blijkt al dat alleen een poging tot misdrijf strafaar is, een poging tot overtreding niet. Het
voornemen (de wil) van de dader moet blijken uit bepaalde handelingen die aan te merken zijn als
het begin van de uitvoering. Een dader die zijn poging vrijwillig opgeef, is niet strafaar op grond
van poging (art. 46b Sr, vrijwillige terugtred).
Er worden twee groepen onderscheiden met betrekking tot het begin van uitvoering:
- Objectieve theoriet de gedraging moet een begin vormen van voltooiing van het misdrij .
Denk bijvoorbeeld aan dat je iemand wilt vermoorden en de kogel mist en het slachtofer
nog kan wegkomen, dan heb je gehandeld naar en voltooiing.
- Subjectieve theoriet nadruk ligt op de intente van de dader, het is duidelijk dat de dader een
wil had om het misdrij te voltooien. Het is dus nog niet zichtbaar dat er iets is gebeurt, zoals
bij de objecteve theorie wel het geval is.
Cito-criterium – geldende leer
In het Cito-arrest ga de Hoge Raad een nieuw criterium om te kunnen bepalen wanneer er sprake is
van een begin van uitvoering: of een gedraging naar uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet
worden als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.
In het arrest Grenswisselkantoor wordt het bereik van het pogingscriterium zoals ge ormuleerd in
het Cito-arrest in beeld gebracht. In het arrest Grenswisselkantoor werden de handelingen van de
verdachte juist niet als een begin van de uitvoering aangemerkt. Het eit dat de verdachte in een
auto voor de bank stond en het voornemen had om de bank te overvallen maar hier niet eitelijk toe
handelde zorgt ervoor dat er geen sprake is van poging (ook was er geen sprake van
zichtbaarheid/uiterlijke verschijningsvorm).
Die uiterlijke verschijningsvorm gaat over de zichtbaarheid van de gedraging, deze hoef niet ter
plekke uiterlijk zichtbaar te zijn.
Volgens het Cito-arrest moeten de vastgestelde gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm
kunnen worden beschouw als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrij . Het gaat
niet alleen om de ysieke gedragingen van de dader maar ook om alle relevante eiten en
omstandigheden waaronder die zijn verricht. Het hoef niet dat deze gedraging op het moment
zichtbaar was, wanneer de gedraging later blijkt door onderzoek dan is hier ook aan voldaan.
,Bij het criterium uiterlijke verschijningsvorm gaat het dus niet zozeer om wat er ter plekke zichtbaar
is, maar om hetgeen dat achtera objecte vast te stellen is. Het gaat niet om het zien, maar om het
weten.
Het kan ook voorkomen dat iemand een strafaar eit wil plegen, maar dit op zo’n wijze doet dat er
nooit een reëel gevaar voor het slagen van dat misdrij aanwezig is (wanneer je iemand wilt
vergifigen met een, wat jij denkt gifige sto , maar dit is geen gifige sto ). Dit noem je een absoluut
ondeugdelijke poging. Dit kan worden veroorzaakt door het gebruikte middel, maar ook door het
object van de poging (iemand willen vermoorden die al daarvoor is overleden, een lijk kun je niet
vermoorden).
Je hebt ook de relatief ondeugdelijke poging, het middel o object is dan in principe geschikt om te
komen tot voltooiing, maar door toevallige omstandigheden blijf deze voltooiing uit (overvallen van
een geldauto die door een out geen geld blijkt te vervoeren).
Het is belangrijk verschil te zien in deze twee pogingen, de absoluut ondeugdelijke poging is namelijk
niet strafaar, de relateve wel (een strafare poging).
Er zijn uitzonderingen waarbij de poging niet strafaar is gesteld (bijvoorbeeld art. 300 lid 5 Sr),
poging tot eenvoudige mishandeling. Ook bestaan er misdrijven waarbij de poging niet goed voor te
stellen is door de aard van het delict. Dit is ten eerste het geval bij culpoze misdrijven, je kan immers
niet streven naar een per ongeluk veroorzaakt gevolg.
Verder zijn er in de wet delicten omschreven waarbij eitelijk gezien een pogings ase niet goed voor
is te stellen (art. 180 Sr bijvoorbeeld).
5.3 Voorbereiding
Voora gaande aan de ase van de poging is de voorbereiding, strafaar gesteld in art. 46 Sr. Liid 1:
voorbereiding van een misdrijf waarop een straf staat van acht jaar of meer is strafaar, wanneer de
dader opzetelijk voorwerpen, stofen, informatedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot
het begaan van dat misdrijf verwerf, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft
Het is lastg te bepalen o de zaken ook daadwerkelijk bestemd zijn voor de uitvoering van het
misdrij . Hiervoor moet naar de intente gekeken worden van de dader, het doel waarmee
bijvoorbeeld geld wordt gehouden bepaalt de strafaarheid. Soms is het heel simpel om erachter te
komen wat de intentes van een dader zijn, maar het kan ook heel ingewikkeld zijn om hierachter te
komen. Als er verder niets bekend is over de intente en de omstandigheden zijn min o meer
normaal, dan zal het onbeantwoord blijven. Er zijn geen algemene regels die kunnen bepalen wat de
intente van iemand zal zijn, de rechter al per individueel geval de omstandigheden moeten bekijken.
De dader moet de voorwerpen voor voornomen misdrij voorhanden hebben met dat doel.
5.4 het onderscheid tussen poging en voorbereiding
Het belangrijkste verschil is dat volgens het pogingscriterium de gedraging gericht moet zijn op
voltooiing, in de pogings ase is de dader niet meer zo ver a van de daadwerkelijke realisering van
het strafare eit. Met moet zich a vragen o er concrete gevaarzetng (jetzt-geht-los-criterium)
bestaat. Bij poging moet er zijn begonnen aan de uitvoering.
5.5 Vrijwillige terugtred
anneer de dader zijn poging vrijwillig opgeef, is hij niet strafaar. Dit is om te stmuleren dat de
dader stopt met het voorbereiden van een strafaar eit en hier niet alsnog voor gestraf kan worden
(art. 46b Sr). Dit vrijwillig opgeven kan komen doordat de dader bijvoorbeeld spijt krijgt, o dat hij
niet meer durf. Het is vrijwillig indien het besluit om niet verder te gaan met de uitvoering wordt
genomen op grond van een nieuwe a weging van dezel de (externe) omstandigheden (het horen van
een naderende politesirene is bijvoorbeeld een nieuwe omstandigheid).
, H6 – Deelneming
Een delict wordt niet altjd maar door een persoon verricht, het komt vaak voor dat meerdere
personen een bijdrage leveren aan een strafaar eit (deelneming). Kenmerkend aan deelneming is
dat ook personen die niet de hele delictsomschrijving vervullen, toch aansprakelijk kunnen zijn voor
het strafare eit. Ook deelnemers kunnen dus worden gestraf voor hun bijdrage, ook als hij o zij
geen ysieke handeling heef verricht.
Er zijn verschillende soorten deelnemingsvarianten, per zaak moet worden aangegeven van welke
deelnemingsvorm sprake is. Het onderscheid tussen deze varianten is niet altjd even eenvoudig te
herkennen.
6.2 Wettelijke regeling
De deelnemingsregeling staat in art. 47 en 48 Sr. Hieruit volgen de deelnemingsvormen. Eentje wordt
verder niet verder uitgewerkt: pleger. De pleger is degene die in z’n eentje alle delictsbestanddelen
voor zijn rekening neemt en wat dat betref de klassieke dader is. De resterende deelnemingsvormen
worden hieronder verder uitgewerkt.
6.3 Medeplegen
Van medeplegen is sprake wanneer twee o meer personen nauw en bewust samenwerken bij het
begaan van het strafare eit.
- Nauwe samenwerking: de bijdrage van de persoon die als medepleger wordt vervolgd, moet
substanteel zijn. Is deze bijdrage duidelijk van ondergeschikte aard, dan zal eerder sprake
zijn van medeplichtgheid. Dit criterium is nogal lastg vast te stellen, er moet dan ook
gekeken worden naar de eiten en omstandigheden van de zaak. Uit jurisprudente blijkt dat
de volgende actoren kunnen duiden op nauwe samenwerking:
1. Het tonen van initate bij bedenken o uitvoeren;
2. Het voeren van regie voor o achter de schermen;
3. Overduidelijk deel uitmaken van een hechte en planmatg samenwerkende dadergroep;
4. Het leveren van een onmisbare o belangrijke bijdrage;
5. Een zekere inwisselbaarheid van de rollen van de daders;
6. Een min o meer toevallig tot stand gekomen rolverdeling.
Deze lijst is niet limitate , het is niet dat je precies de ideale medepleger kunt herkennen. In het
algemeen valt te concluderen dat als het gewicht van de bijdrage aan het geheel niet meer het
karakter heef van een min o meer ondergeschikte hulphandeling, al snel tot medeplegen wordt
aangenomen.
- Opzet van de medeplegert voor alle deelnemingsvormen geldt dat er voldaan moet zijn aan
de eis van dubbel opzet. Opzet moet dus in twee manieren aanwezig zijn, ten eerste moet de
medepleger opzet hebben op het deelnemen zel (moet willen medeplegen). Ten tweede
moet de medepleger een bijdrage willen leveren aan een bepaald strafaar eit (opzet op het
delict). anneer er niet is voldaan aan een o beide vormen van opzet, is er geen sprake van
medeplegen, dus als je per ongeluk helpt bij een misdrij , ben je geen medepleger. at ook
kan voorkomen is dat de opzet op een ander delict was gericht dan er uiteindelijk wordt
gerealiseerd. Fysieke aanwezigheid is niet noodzakelijk om te worden aan gemerkt als
medepleger. Dit is bepaald in het Containerdiefstalarrest.
6.4 Uitlokking
Kenmerkend: de uitlokker weet een ander zo ver te krijgen het strafare eit te plegen, terwijl deze
voor dat moment nog geen intente had om het strafare eit te begaan. De uitlokker verricht zel
geen uitvoeringshandelingen, het daadwerkelijke plegen van het strafare eit laat hij aan de
uitgelokte over. Hiermee onderscheidt hij zich van de medeplichtge. Bij uitlokking gaat het enkel en