Mechanische efficiëntie
- Het percentage metabole energie (chemische energie)dat gebruikt kan worden voor het
leveren van mechanisch vermogen (beweging). Het grootste deel van de energie gaat
verloren als warmte.
- Gross efficiency (bruto efficiëntie): (PO:Pl)x100
o PO= mechanisch vermogen
o Pl= metabolisch vermogen
- Voorbeeld bepaling GE (bruto efficiëntie):
o Meten van mechanisch vermogen (PO), VO2 en RER
o Bepaling GE:
PO = 260W
VO2 = 52,5 ml/kg/min
RER = 0,97
PI= VO2 x (4940 x RER + 16040)
Energieverbruik tijdens wandelen
- Er is een lineaire relatie tussen de loopsnelheid en de zuurstofopname/energieverbruik bij
snelheden van 3-5km/uur. Een hogere snelheid betekent een lageren economy.
- Factoren die het energieverbruik tijdens wandelen beïnvloeden:
Lichaamsmassa, terrein waarop wordt gelopen (+ snelheid), schoenen.
Energieverbruik tijdens hardlopen
- Overgang van wandelen naar hardlopen: vanaf 8km/h is het economischer om te gaan
rennen dan te lopen. Vanaf 7,4 km/h wordt het als hardlopen beschouwd.
- Het energieverbruik voor het afleggen van een vaste afstand is onafhankelijk van de snelheid.
10 kilometer rennen met 9 km/h vs. 18km/h.:
o Het energieverbruik is 2x zo hoog op 18 km/h
o De duur is 2x zo lang op 9 km/h
Hardloopsnelheid
- Hardloopsnelheid verhogen door:
o Stapfrequentie te verhogen
o Staplengte te vergroten: staplengte = afstand tussen hielcontacten van het ene die
van het andere been. Schredelengte = afstand tussen twee hielcontacten van
hetzelfde been.
o Grotere staplengte → hogere VO2
- Kinderen rennen minder economisch en hebben een 20-30%hogeren VO 2
- Tijdens rennen op een horizontaal vlak verbrand je gemiddeld 1kcl(kg km)
Luchtweerstand
- Hangt af van:
o Luchtdichtheid
o Frontaaloppervlak van de renner
o Windsnelheid
o Snelheid van de atleet
o Luchtweerstandcoëfficiënt (afhankelijk van wrijvings- en vormweerstand)
, - Hardlopen 3-9% van totaal energieverbruik door luchtweerstand
Wielrennen
- G: 18,5-23,5%, GE wordt beïnvloed door:
o Training: bij atleten is de GE het hoogst in de wedstrijdfase
o Trapfrequentie
o Positie op de fiets (staand/zittend)
Schaatsen
- GE bepalen tijdens het schaatsen:
o Pwrijving = Plucht + P ijs
o Constante snelheid: PO = Pwrijving
- PO kan niet worden gemeten, Pwrijving wel
- GE tijdens schaatsen: 15-19%
- GE van schaatsen kan worden verbeterd door een klapschaats van 14,8% tot 16,3%: zelfde
metabool vermogen maar meer mechanisch vermogen. 50% prestatieverbetering door
technologische innovaties, rest door verbetering GE?
Zwemmen
- GE tijdens zwemmen 5-9,5%
- Wrijvingskrachten tijdens zwemmen:
o Vormweerstand (door frontaaloppervlak)
o Wrijvingsweerstand (minder door zwempakken)
o Golfweerstand
HOOFDSTUK 11: INSPANNINGSTESTEN EN LICHAAMSSAMENSTELLING
Inspanningstesten
Individuele verschillen in metabolische capaciteit
- Energie wordt in het lichaam op verschillende manieren gecreëerd, maar het is
persoonsafhankelijk hoe goed elk systeemwerkt.
- Dit heeft te maken met aanleg en met training: trainen om de anaerobe capaciteit te
verbeteren, heeft weinig positief effect op de aerobe capaciteit.
Inspanningstesten obv anaerobe systeem
- Obv ATP-PCr systeem (anaeroobtesten met maximaaltest):
o Praktische prestatietesten gaan ervan uit dat:
Op het maximale vermogen wordt alle ATP via ATP-PCr verkregen
Er is voldoende ATP en PCr aanwezig om amximale prestaties ongeveer 6
seconden te voorzien.
o Hoe zwaarder hoe hoger je vermogen is. Onderling vergelijken is dus niet mogelijk
ivm massaverschil. Test moet sportspecifiek zijn!
o Testen kan dus dmv fysiologische en biomedische testen, waarbij na de maximaaltest
een spierbiopt wordt gemeten.
o Depletie rate: afname van ATP/PCr tijdens maximaaltest.
- Obv glycolytisch systeem (anaeroob):
o All-out inspanning van maximaal 3 minuten
- Het percentage metabole energie (chemische energie)dat gebruikt kan worden voor het
leveren van mechanisch vermogen (beweging). Het grootste deel van de energie gaat
verloren als warmte.
- Gross efficiency (bruto efficiëntie): (PO:Pl)x100
o PO= mechanisch vermogen
o Pl= metabolisch vermogen
- Voorbeeld bepaling GE (bruto efficiëntie):
o Meten van mechanisch vermogen (PO), VO2 en RER
o Bepaling GE:
PO = 260W
VO2 = 52,5 ml/kg/min
RER = 0,97
PI= VO2 x (4940 x RER + 16040)
Energieverbruik tijdens wandelen
- Er is een lineaire relatie tussen de loopsnelheid en de zuurstofopname/energieverbruik bij
snelheden van 3-5km/uur. Een hogere snelheid betekent een lageren economy.
- Factoren die het energieverbruik tijdens wandelen beïnvloeden:
Lichaamsmassa, terrein waarop wordt gelopen (+ snelheid), schoenen.
Energieverbruik tijdens hardlopen
- Overgang van wandelen naar hardlopen: vanaf 8km/h is het economischer om te gaan
rennen dan te lopen. Vanaf 7,4 km/h wordt het als hardlopen beschouwd.
- Het energieverbruik voor het afleggen van een vaste afstand is onafhankelijk van de snelheid.
10 kilometer rennen met 9 km/h vs. 18km/h.:
o Het energieverbruik is 2x zo hoog op 18 km/h
o De duur is 2x zo lang op 9 km/h
Hardloopsnelheid
- Hardloopsnelheid verhogen door:
o Stapfrequentie te verhogen
o Staplengte te vergroten: staplengte = afstand tussen hielcontacten van het ene die
van het andere been. Schredelengte = afstand tussen twee hielcontacten van
hetzelfde been.
o Grotere staplengte → hogere VO2
- Kinderen rennen minder economisch en hebben een 20-30%hogeren VO 2
- Tijdens rennen op een horizontaal vlak verbrand je gemiddeld 1kcl(kg km)
Luchtweerstand
- Hangt af van:
o Luchtdichtheid
o Frontaaloppervlak van de renner
o Windsnelheid
o Snelheid van de atleet
o Luchtweerstandcoëfficiënt (afhankelijk van wrijvings- en vormweerstand)
, - Hardlopen 3-9% van totaal energieverbruik door luchtweerstand
Wielrennen
- G: 18,5-23,5%, GE wordt beïnvloed door:
o Training: bij atleten is de GE het hoogst in de wedstrijdfase
o Trapfrequentie
o Positie op de fiets (staand/zittend)
Schaatsen
- GE bepalen tijdens het schaatsen:
o Pwrijving = Plucht + P ijs
o Constante snelheid: PO = Pwrijving
- PO kan niet worden gemeten, Pwrijving wel
- GE tijdens schaatsen: 15-19%
- GE van schaatsen kan worden verbeterd door een klapschaats van 14,8% tot 16,3%: zelfde
metabool vermogen maar meer mechanisch vermogen. 50% prestatieverbetering door
technologische innovaties, rest door verbetering GE?
Zwemmen
- GE tijdens zwemmen 5-9,5%
- Wrijvingskrachten tijdens zwemmen:
o Vormweerstand (door frontaaloppervlak)
o Wrijvingsweerstand (minder door zwempakken)
o Golfweerstand
HOOFDSTUK 11: INSPANNINGSTESTEN EN LICHAAMSSAMENSTELLING
Inspanningstesten
Individuele verschillen in metabolische capaciteit
- Energie wordt in het lichaam op verschillende manieren gecreëerd, maar het is
persoonsafhankelijk hoe goed elk systeemwerkt.
- Dit heeft te maken met aanleg en met training: trainen om de anaerobe capaciteit te
verbeteren, heeft weinig positief effect op de aerobe capaciteit.
Inspanningstesten obv anaerobe systeem
- Obv ATP-PCr systeem (anaeroobtesten met maximaaltest):
o Praktische prestatietesten gaan ervan uit dat:
Op het maximale vermogen wordt alle ATP via ATP-PCr verkregen
Er is voldoende ATP en PCr aanwezig om amximale prestaties ongeveer 6
seconden te voorzien.
o Hoe zwaarder hoe hoger je vermogen is. Onderling vergelijken is dus niet mogelijk
ivm massaverschil. Test moet sportspecifiek zijn!
o Testen kan dus dmv fysiologische en biomedische testen, waarbij na de maximaaltest
een spierbiopt wordt gemeten.
o Depletie rate: afname van ATP/PCr tijdens maximaaltest.
- Obv glycolytisch systeem (anaeroob):
o All-out inspanning van maximaal 3 minuten