SE 1 BIOLOGIE
CELLEN, GEDRAG, STOFWISSELING EN VOEDING
THEMA 2 CELLEN
§3 plantaardige en dierlijke cellen
Celmembraan scheidt het inwendige van de cel af van zijn omgeving en via het
celmembraan vindt selectieve opname en afgifte van stoffen plaats
Cytoplasma stroperige vloeistof in de cel die bestaat uit water met allerlei
opgeloste stoffen en organellen
Organel een deel van een cel met een bepaalde functie
Celwand is een dode laag buiten de cel en laat alles door, zorgt voor stevigheid
Intercellulaire ruimten zijn ruimten binnenin de cel
Celkern regelt alle stofwisselingsprocessen in de cel
Kernmembraan ligt om de celkern
Vacuole is een blaas gevuld met water en zouten, omgeven door een
membraan, functie in celgroei en afbraak moleculen en zorgt voor stevigheid
Vacuolemembraan ligt om de vacuole heen
Plastiden vormen een groep organellen die je kan onderscheiden in 3 vormen:
chloroplasten (bladgroenkorrels), chromoplasten (kleurstofkorrels) en
leukoplasten (zetmeelkorrels)
§5 De celorganellen
Kernplasma is de inhoud van de celkern en wordt omringd door het
celmembraan
DNA bevat erfelijke informatie
Kernporiën regelen het transport van stoffen in en uit de kern
ER is een netwerk van dubbele membranen, functie is transportsysteem voor
stoffen in de cel en op het ruw ER liggen ribosomen op het glad ER niet
Ribosomen maakt eiwitten volgens het RNA wat afkomstig is van het DNA uit de
celkern
Golgisysteem een stapel platte zakjes gevormd door een membraan, worden
eiwitten en vetten afkomstig uit het ER verder bewerkt, opgeslagen en
getransporteerd
Secretie is het afgeven van stoffen door cellen
Mitochondriën energievoorziening, verbranding van glucose m.b.v zuurstof
ATP adenosinetrifosfaat, energierijk molecuul
Chloroplasten bladgroenkorrels en fotosynthese
Endosymbiosetheorie theorie volgens welke oorspronkelijk vrijlevende
prokaryoten als organellen (i.c. mitochondriën en chloroplasten) in andere cellen
zijn gaan leven. Zo zouden eukaryote cellen zijn ontstaan
Fosfolipide bouwsteen van het celmembraan, bevat een hydrofobe staart
(waterafstotend) en hydrofiele kop (water oplosbaar)
, Selectief permeabel celmembranen laten sommige stoffen wel of niet door
Volledig permeabel de celwand laat elke stof door
§6 Diffusie en osmose
Concentratie is de hoeveelheid opgeloste stoffen
Diffusie verplaatsing van een stof van een hoge concentratie naar een lage
concentratie
Osmose diffusie van water door een semi-permeabel membraan (alleen
verplaatsing van watermoleculen)
§7 Membranen en het transport van stoffen
Externe milieu is de omgeving van een organisme en interne milieu is het
inwendige van een organisme tussen het externe en interne milieu bevindt zich
ten minste één celmembraan
Passief transport is geen energie voor nodig en gaat van een hoge→ lage
concentratie
Actief transport kost wel energie (ATP) en gaat van een lage→ hoge concentratie
§8 Stevigheid door osmose
Turgor en plasmolyse kijk bladzijde 88 van boek 4a
THEMA 1 STOFWISSELING
§2 Wat is stofwisseling?
Stofwisseling is het totaal van alle chemische processen in de cellen van een
organisme
Organische stoffen zijn afkomstig van organismen en opgebouwd uit c,h,o
moleculen
Anorganische stoffen zijn afkomstig van de levend of levenloze natuur en is niet
een combi met c+h+o moleculen
Enzymen zijn stoffen die chemische reacties in cellen mogelijk maken
Assimilatie de opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen (van
anorganische stoffen of andere organische stoffen) → fotosynthese
Chemische energie is de energie in moleculen
Voortgezette assimilatie omzetting van producten van de koolstofassimilatie in
andere organische stoffen
Dissimilatie de afbraak van organische moleculen tot kleinere moleculen, met
als doel energie vrijmaken→ verbranding, en verbranding vindt altijd plaats
Fotosynthese formule koolstofdioxide + water + zonlicht→ glucose + zuurstof en
dat is kloppend 6Co2 + 6H20→ C6H12O6 + 6O2
§3 Dissimilatie
→ Glucose kan met zuurstof aeroob en zonder zuurstof anaeroob worden
gedissimileerd
CELLEN, GEDRAG, STOFWISSELING EN VOEDING
THEMA 2 CELLEN
§3 plantaardige en dierlijke cellen
Celmembraan scheidt het inwendige van de cel af van zijn omgeving en via het
celmembraan vindt selectieve opname en afgifte van stoffen plaats
Cytoplasma stroperige vloeistof in de cel die bestaat uit water met allerlei
opgeloste stoffen en organellen
Organel een deel van een cel met een bepaalde functie
Celwand is een dode laag buiten de cel en laat alles door, zorgt voor stevigheid
Intercellulaire ruimten zijn ruimten binnenin de cel
Celkern regelt alle stofwisselingsprocessen in de cel
Kernmembraan ligt om de celkern
Vacuole is een blaas gevuld met water en zouten, omgeven door een
membraan, functie in celgroei en afbraak moleculen en zorgt voor stevigheid
Vacuolemembraan ligt om de vacuole heen
Plastiden vormen een groep organellen die je kan onderscheiden in 3 vormen:
chloroplasten (bladgroenkorrels), chromoplasten (kleurstofkorrels) en
leukoplasten (zetmeelkorrels)
§5 De celorganellen
Kernplasma is de inhoud van de celkern en wordt omringd door het
celmembraan
DNA bevat erfelijke informatie
Kernporiën regelen het transport van stoffen in en uit de kern
ER is een netwerk van dubbele membranen, functie is transportsysteem voor
stoffen in de cel en op het ruw ER liggen ribosomen op het glad ER niet
Ribosomen maakt eiwitten volgens het RNA wat afkomstig is van het DNA uit de
celkern
Golgisysteem een stapel platte zakjes gevormd door een membraan, worden
eiwitten en vetten afkomstig uit het ER verder bewerkt, opgeslagen en
getransporteerd
Secretie is het afgeven van stoffen door cellen
Mitochondriën energievoorziening, verbranding van glucose m.b.v zuurstof
ATP adenosinetrifosfaat, energierijk molecuul
Chloroplasten bladgroenkorrels en fotosynthese
Endosymbiosetheorie theorie volgens welke oorspronkelijk vrijlevende
prokaryoten als organellen (i.c. mitochondriën en chloroplasten) in andere cellen
zijn gaan leven. Zo zouden eukaryote cellen zijn ontstaan
Fosfolipide bouwsteen van het celmembraan, bevat een hydrofobe staart
(waterafstotend) en hydrofiele kop (water oplosbaar)
, Selectief permeabel celmembranen laten sommige stoffen wel of niet door
Volledig permeabel de celwand laat elke stof door
§6 Diffusie en osmose
Concentratie is de hoeveelheid opgeloste stoffen
Diffusie verplaatsing van een stof van een hoge concentratie naar een lage
concentratie
Osmose diffusie van water door een semi-permeabel membraan (alleen
verplaatsing van watermoleculen)
§7 Membranen en het transport van stoffen
Externe milieu is de omgeving van een organisme en interne milieu is het
inwendige van een organisme tussen het externe en interne milieu bevindt zich
ten minste één celmembraan
Passief transport is geen energie voor nodig en gaat van een hoge→ lage
concentratie
Actief transport kost wel energie (ATP) en gaat van een lage→ hoge concentratie
§8 Stevigheid door osmose
Turgor en plasmolyse kijk bladzijde 88 van boek 4a
THEMA 1 STOFWISSELING
§2 Wat is stofwisseling?
Stofwisseling is het totaal van alle chemische processen in de cellen van een
organisme
Organische stoffen zijn afkomstig van organismen en opgebouwd uit c,h,o
moleculen
Anorganische stoffen zijn afkomstig van de levend of levenloze natuur en is niet
een combi met c+h+o moleculen
Enzymen zijn stoffen die chemische reacties in cellen mogelijk maken
Assimilatie de opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen (van
anorganische stoffen of andere organische stoffen) → fotosynthese
Chemische energie is de energie in moleculen
Voortgezette assimilatie omzetting van producten van de koolstofassimilatie in
andere organische stoffen
Dissimilatie de afbraak van organische moleculen tot kleinere moleculen, met
als doel energie vrijmaken→ verbranding, en verbranding vindt altijd plaats
Fotosynthese formule koolstofdioxide + water + zonlicht→ glucose + zuurstof en
dat is kloppend 6Co2 + 6H20→ C6H12O6 + 6O2
§3 Dissimilatie
→ Glucose kan met zuurstof aeroob en zonder zuurstof anaeroob worden
gedissimileerd