Samenvatting D2
‘Bewustzijns-
veranderingen’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Epilepsie................................................................................................................................. 4
Soorten epileptische aanvallen ........................................................................................... 5
Primair gegeneraliseerde aanvallen ................................................................................ 5
Partiële aanvallen ........................................................................................................... 6
Status epilepticus ........................................................................................................... 7
Soorten epileptische syndromen ........................................................................................ 7
Syndroom van West ....................................................................................................... 7
Rolandische epilepsie ..................................................................................................... 7
Juveniele myoclonus epilepsie ........................................................................................ 8
Koortsstuip ..................................................................................................................... 8
Behandeling ....................................................................................................................... 8
Slaapstoornissen .................................................................................................................. 10
Fysiologische slaapfases ............................................................................................... 10
Insomnie .......................................................................................................................... 10
Benzodiazepinen .......................................................................................................... 11
Slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen...................................................................... 11
Slaapapneusyndroom ................................................................................................... 11
Slaapverstorende ademhalingsproblemen bij neurologische aandoeningen ................. 11
Hypersomnieën ................................................................................................................ 12
Narcolepsie .................................................................................................................. 12
Idiopathische hypersomnie........................................................................................... 13
Slaapgerelateerde bewegingsstoornissen ......................................................................... 13
Parasomnieën .................................................................................................................. 13
Syncope ............................................................................................................................... 15
Systemische bloedsomloop .......................................................................................... 15
Cerebrale perfusiedruk ................................................................................................. 16
Reflex syncope ................................................................................................................. 16
Syncope door orthostatische hypotensie.......................................................................... 16
Cardiale syncope .............................................................................................................. 16
Syncope door tekort aan circulerend volume ................................................................... 16
Bewustzijn en bewustzijnspathologie ................................................................................... 17
Coma ................................................................................................................................ 17
Vegetatieve toestand ....................................................................................................... 18
Locked-in-toestand ........................................................................................................... 18
2
, Minimal conscious state ................................................................................................... 18
Overzicht .......................................................................................................................... 18
Hersendood en donatie ........................................................................................................ 19
Hersendoodprocedure ..................................................................................................... 19
Hersenstamreflexen ..................................................................................................... 19
Aanvullend onderzoek .................................................................................................. 20
Traumatisch schedelhersenletsel ......................................................................................... 21
Acceleratie-deceleratietrauma ..................................................................................... 21
Focale hersenschade ........................................................................................................ 21
Contusiehaarden .......................................................................................................... 21
Epiduraal hematoom .................................................................................................... 21
Subduraal hematoom ................................................................................................... 21
Traumatisch arachnoïdaal bloed ................................................................................... 22
Schedelfracturen .......................................................................................................... 22
Diffuse hersenschade ....................................................................................................... 22
Diffuse axonale schade ................................................................................................. 22
Secundaire schade ............................................................................................................ 23
Behandeling van schedelhersenletsel ............................................................................... 23
3
, Epilepsie
Een epileptische aanval is de klinische beeld waarbij een plotselinge, kortdurende
functiestoornis van de hersenen ten gevolge van excessieve of synchroon optredende
activiteit van cerebrale neuronen. Deze aanvallen kunnen heel verschillend van aard zijn.
Afhankelijk van welke delen van de hersenen bij de aanval betrokken zijn, kunnen
epileptische aanvallen lokale of gegeneraliseerde spiercontracties, stoornissen van hogere
cerebrale functies of bewustzijnsverlies veroorzaken. Een epileptische aanval moet gezien
worden als een symptoom van een functionele of structurele aandoening van de hersenen.
Zo kunnen aanvallen ontstaan door koorts,
hyponatriëmie, herseninfarcten of
hersenvliesontstekingen. Echter zijn er in deze
gevallen epileptische verschijnselen en is er geen
sprake van epilepsie.
Bij epilepsie is er sprake van een disbalans tussen exciterende en inhiberende neuronen.
Voor de diagnose epilepsie is een predispositie voor het krijgen van epileptische aanvallen
nodig. Zo’n dergelijke predispositie is te bepalen aan de hand van klinische criteria, die
internationaal zijn vastgelegd. Er werd eerder van epilepsie gesproken wanneer een patiënt
meer dan één niet-acuut-symptomatische aanval heeft gehad, waarbij een tweede aanval
volgt die na meer dan 24 uur volgt. Volgens de nieuwe
definiete wordt er van epilepsie gesproken wanneer er na de
eerste aanval een kans van > 70% is op een tweede aanval.
Daarbij vallen alle aanvallen die binnen een week na het
oplopen van hersenletsel komen niet onder epilepsie.
Wanneer epilepsie op de kindertijd wordt gediagnostiseerd
spelen er vaak hoofdzakelijk genetische- en aanlegfactoren
mee. Ouderen krijgen juist eerder epilepsie door trauma,
vasculaire- en degeneratieve problematiek.
Na het doormaken van een epileptische aanval kunnen patiënten krachtverlies hebben. Dit
wordt ook wel een Toddse parese genoemd en komt door uitputting van neuronen
waardoor de neuronen tijdelijk refractair zijn voor hernieuwde stimulatie.
De aandoeningen die epilepsie veroorzaken, leiden tot langdurende of blijvende dispositie
voor het ontwikkelen van insulten. Het kan daarbij om macroscopische structurele laesies
gaan, zoals na traumatisch hersenletsel of een herseninfarct, maar ook om stoornissen
waardoor de neurale prikkeldrempel wordt verlaagd, bijvoorbeeld door veranderingen in
natrium- en kaliumkanalen in het neuronale membraan. Bij beide gevallen is het regelmatig
optreden van epileptische aanvallen op zichzelf, dus los van de onderliggende aandoening,
een belangrijk klinisch probleem.
Epilepsie is dus een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende ziekteverschijnselen.
Bij veel vormen is het werkingsmechanisme ontdekt nadat een bepaald genetisch defect
bekend was geworden.
4
‘Bewustzijns-
veranderingen’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Epilepsie................................................................................................................................. 4
Soorten epileptische aanvallen ........................................................................................... 5
Primair gegeneraliseerde aanvallen ................................................................................ 5
Partiële aanvallen ........................................................................................................... 6
Status epilepticus ........................................................................................................... 7
Soorten epileptische syndromen ........................................................................................ 7
Syndroom van West ....................................................................................................... 7
Rolandische epilepsie ..................................................................................................... 7
Juveniele myoclonus epilepsie ........................................................................................ 8
Koortsstuip ..................................................................................................................... 8
Behandeling ....................................................................................................................... 8
Slaapstoornissen .................................................................................................................. 10
Fysiologische slaapfases ............................................................................................... 10
Insomnie .......................................................................................................................... 10
Benzodiazepinen .......................................................................................................... 11
Slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen...................................................................... 11
Slaapapneusyndroom ................................................................................................... 11
Slaapverstorende ademhalingsproblemen bij neurologische aandoeningen ................. 11
Hypersomnieën ................................................................................................................ 12
Narcolepsie .................................................................................................................. 12
Idiopathische hypersomnie........................................................................................... 13
Slaapgerelateerde bewegingsstoornissen ......................................................................... 13
Parasomnieën .................................................................................................................. 13
Syncope ............................................................................................................................... 15
Systemische bloedsomloop .......................................................................................... 15
Cerebrale perfusiedruk ................................................................................................. 16
Reflex syncope ................................................................................................................. 16
Syncope door orthostatische hypotensie.......................................................................... 16
Cardiale syncope .............................................................................................................. 16
Syncope door tekort aan circulerend volume ................................................................... 16
Bewustzijn en bewustzijnspathologie ................................................................................... 17
Coma ................................................................................................................................ 17
Vegetatieve toestand ....................................................................................................... 18
Locked-in-toestand ........................................................................................................... 18
2
, Minimal conscious state ................................................................................................... 18
Overzicht .......................................................................................................................... 18
Hersendood en donatie ........................................................................................................ 19
Hersendoodprocedure ..................................................................................................... 19
Hersenstamreflexen ..................................................................................................... 19
Aanvullend onderzoek .................................................................................................. 20
Traumatisch schedelhersenletsel ......................................................................................... 21
Acceleratie-deceleratietrauma ..................................................................................... 21
Focale hersenschade ........................................................................................................ 21
Contusiehaarden .......................................................................................................... 21
Epiduraal hematoom .................................................................................................... 21
Subduraal hematoom ................................................................................................... 21
Traumatisch arachnoïdaal bloed ................................................................................... 22
Schedelfracturen .......................................................................................................... 22
Diffuse hersenschade ....................................................................................................... 22
Diffuse axonale schade ................................................................................................. 22
Secundaire schade ............................................................................................................ 23
Behandeling van schedelhersenletsel ............................................................................... 23
3
, Epilepsie
Een epileptische aanval is de klinische beeld waarbij een plotselinge, kortdurende
functiestoornis van de hersenen ten gevolge van excessieve of synchroon optredende
activiteit van cerebrale neuronen. Deze aanvallen kunnen heel verschillend van aard zijn.
Afhankelijk van welke delen van de hersenen bij de aanval betrokken zijn, kunnen
epileptische aanvallen lokale of gegeneraliseerde spiercontracties, stoornissen van hogere
cerebrale functies of bewustzijnsverlies veroorzaken. Een epileptische aanval moet gezien
worden als een symptoom van een functionele of structurele aandoening van de hersenen.
Zo kunnen aanvallen ontstaan door koorts,
hyponatriëmie, herseninfarcten of
hersenvliesontstekingen. Echter zijn er in deze
gevallen epileptische verschijnselen en is er geen
sprake van epilepsie.
Bij epilepsie is er sprake van een disbalans tussen exciterende en inhiberende neuronen.
Voor de diagnose epilepsie is een predispositie voor het krijgen van epileptische aanvallen
nodig. Zo’n dergelijke predispositie is te bepalen aan de hand van klinische criteria, die
internationaal zijn vastgelegd. Er werd eerder van epilepsie gesproken wanneer een patiënt
meer dan één niet-acuut-symptomatische aanval heeft gehad, waarbij een tweede aanval
volgt die na meer dan 24 uur volgt. Volgens de nieuwe
definiete wordt er van epilepsie gesproken wanneer er na de
eerste aanval een kans van > 70% is op een tweede aanval.
Daarbij vallen alle aanvallen die binnen een week na het
oplopen van hersenletsel komen niet onder epilepsie.
Wanneer epilepsie op de kindertijd wordt gediagnostiseerd
spelen er vaak hoofdzakelijk genetische- en aanlegfactoren
mee. Ouderen krijgen juist eerder epilepsie door trauma,
vasculaire- en degeneratieve problematiek.
Na het doormaken van een epileptische aanval kunnen patiënten krachtverlies hebben. Dit
wordt ook wel een Toddse parese genoemd en komt door uitputting van neuronen
waardoor de neuronen tijdelijk refractair zijn voor hernieuwde stimulatie.
De aandoeningen die epilepsie veroorzaken, leiden tot langdurende of blijvende dispositie
voor het ontwikkelen van insulten. Het kan daarbij om macroscopische structurele laesies
gaan, zoals na traumatisch hersenletsel of een herseninfarct, maar ook om stoornissen
waardoor de neurale prikkeldrempel wordt verlaagd, bijvoorbeeld door veranderingen in
natrium- en kaliumkanalen in het neuronale membraan. Bij beide gevallen is het regelmatig
optreden van epileptische aanvallen op zichzelf, dus los van de onderliggende aandoening,
een belangrijk klinisch probleem.
Epilepsie is dus een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende ziekteverschijnselen.
Bij veel vormen is het werkingsmechanisme ontdekt nadat een bepaald genetisch defect
bekend was geworden.
4