(Tijd voor geschiedenis) Leerjaar 1, Havo en VWO
Periodes en tijdvakken
De hele geschiedenis wordt ingedeeld in vijf periodes. Over welke periode gaat dit hoofdstuk?
Oudheid, 3000 v.C. – 500 n.C.
De vijf periodes worden weer onderverdeeld in tien tijdvakken. Over welk tijdvak gaat dit hoofdstuk?
Tijd van Grieken en Romeinen, 3000 v.C. – 500 n.C.
GOD GOD/GODIN VAN…. TE HERKENNEN AAN….
Zeus Oppergod, God van de donder en bliksem Bliksemschicht in hand + Adelaar vaak
aan zijn voeten
Poseidon God van de zee, broer van Zeus Drietand in zijn rechterhand
Hades God van de onderwereld, broer van Zeus Cerberus (Zijn driekoppige hond)
Hera Godin van het huwelijk, vrouw van Zeus Pauw + staf
Athena Godin van de wijsheid en van de oorlog, Uil + Wapenuitrusting
geboren uit het hoofd van Zeus
Aphrodite Godin van de liefde Eros (haar zoontje) + duiven + zwanen
Ares God van de oorlog Wapenuitrusting
§4.1: Griekenland, leven in de stadstaten
Leerdoel Begrippen
Ik kan uitleggen wat wetenschappelijk denken is Manier van denken waarbij nieuwe kennis
voortkomt uit studie en onderzoek
Ik kan uitleggen wat een stadstaat is Griekse stad met het omliggende platteland
(stad en ommeland) die zichzelf bestuurt.
Ik weet wat er bedoeld wordt met de klassieke Manier van uitdrukken (= uitbeelden,
vormentaal vormgeven) door de Grieken en de Romeinen.
Ik kan omschrijven welke periode we bedoelen Periode tussen de uitvinding van het schrift en
met de Oudheid en uitleggen waar deze de val van het Romeinse Rijk.
periode mee begon. De Oudheid begon vanaf de uitvinding van het
schrift. De Grieken onderzochten hun eigen
geschiedenis en de geschiedenis van de volken
om hen heen. De Griekse geschiedschrijver
Herodotus beschreef bijvoorbeeld de
geschiedenis van Egypte.