4.1 Levende cellen
- Je kent de verschillende organisatieniveaus in de biologie en kan aangeven welke ‘groter’
of ‘kleiner’ zijn.
Molecuul - organel - cel - weefsel - orgaan - orgaanstelsel - organisme - populatie - soort -
levensgemeenschap - ecosysteem - systeem aarde.
- Je kan aangeven hoe de oppervlakte en de inhoud van een organisme veranderden
wanneer hij groeit en welke invloed dit heeft op de warmteproductie en warmteafgifte.
Naarmate de omvang groter wordt, neemt het volume sneller toe dan het oppervlak.
Eencellige organismen: warmte verlaat de cel, heeft geen invloed op activiteit van het organisme.
Hoe groter het volume van het organisme, hoe groter de zuurstofbehoefte. De grootte van de cel bij
een eencellig organisme wordt beperkt door de zuurstofbehoefte: er moet genoeg oppervlak zijn om
daaraan te voldoen.
Meercellige organismen: warmte wordt ingezet in het organisme om activiteit te verhogen bij
koudbloedige dieren en wordt constant gehouden bij warmbloedige dieren om activiteit constant te
houden.
- Uitleggen wat celdifferentiatie is en welke rol stamcellen daarin spelen.
Celdifferentiatie is het ontwikkelen van stamcellen naar cellen die verschillen in grootte, vorm en
functie.
- Je kent de levenskenmerken.
Elk organisme: is opgebouwd uit een of meerdere cellen, kan groeien, kan zich voortplanten, kan
stoffen opnemen en omzetten in andere stoffen, waarnemen en reageren op veranderingen in
omgeving en kan erfelijk materiaal organiseren.
, 4.2 Industrie op miniformaat
- Je kent de functies van de celorganellen van planten en dieren.
Dierlijke cel Plantencel
- Je kan de verschillende organellen herkennen op een afbeelding.
Binas 79 B/C
- Je kan uitleggen wat de functie van ATP is.
Cellen voorzien van energie
4.3 Transport bij cellen
- Je kent het verschil tussen hydrofoob en hydrofiel.
Hydrofobe stoffen lossen niet op in water, kunnen geen waterstofbruggen vormen doordat het
apolair is. Hydrofiele stoffen lossen wel op in water en kunnen waterstofbruggen vormen doordat ze
polair zijn
- Je kent de verschillende organisatieniveaus in de biologie en kan aangeven welke ‘groter’
of ‘kleiner’ zijn.
Molecuul - organel - cel - weefsel - orgaan - orgaanstelsel - organisme - populatie - soort -
levensgemeenschap - ecosysteem - systeem aarde.
- Je kan aangeven hoe de oppervlakte en de inhoud van een organisme veranderden
wanneer hij groeit en welke invloed dit heeft op de warmteproductie en warmteafgifte.
Naarmate de omvang groter wordt, neemt het volume sneller toe dan het oppervlak.
Eencellige organismen: warmte verlaat de cel, heeft geen invloed op activiteit van het organisme.
Hoe groter het volume van het organisme, hoe groter de zuurstofbehoefte. De grootte van de cel bij
een eencellig organisme wordt beperkt door de zuurstofbehoefte: er moet genoeg oppervlak zijn om
daaraan te voldoen.
Meercellige organismen: warmte wordt ingezet in het organisme om activiteit te verhogen bij
koudbloedige dieren en wordt constant gehouden bij warmbloedige dieren om activiteit constant te
houden.
- Uitleggen wat celdifferentiatie is en welke rol stamcellen daarin spelen.
Celdifferentiatie is het ontwikkelen van stamcellen naar cellen die verschillen in grootte, vorm en
functie.
- Je kent de levenskenmerken.
Elk organisme: is opgebouwd uit een of meerdere cellen, kan groeien, kan zich voortplanten, kan
stoffen opnemen en omzetten in andere stoffen, waarnemen en reageren op veranderingen in
omgeving en kan erfelijk materiaal organiseren.
, 4.2 Industrie op miniformaat
- Je kent de functies van de celorganellen van planten en dieren.
Dierlijke cel Plantencel
- Je kan de verschillende organellen herkennen op een afbeelding.
Binas 79 B/C
- Je kan uitleggen wat de functie van ATP is.
Cellen voorzien van energie
4.3 Transport bij cellen
- Je kent het verschil tussen hydrofoob en hydrofiel.
Hydrofobe stoffen lossen niet op in water, kunnen geen waterstofbruggen vormen doordat het
apolair is. Hydrofiele stoffen lossen wel op in water en kunnen waterstofbruggen vormen doordat ze
polair zijn