Geschiedenis hoofdstuk 1 paragraaf 1
De kennen:
1. je kent de betekenis van de vetgedrukte begrippen
2. je kent de volgorde jaartallen met de bijbehorende gebeurtenissen: 1525, 1555
3. je weet hoeveel gewesten er waren en wat de drie belangrijkste waren
4. je weet wie de landsheer was en waarover hij nog meer regeerde
5. je weet welke privileges met de gewestelijke staten hadden
6. je kent een reden voor de centralisatiepolitiek van Karel op verzet stuitte
7. je weet waarom de Nederlandse edelen Filips als ‘buitenlander zagen
8. je kent twee redenen waarom Willem van Oranje de belangrijkste Nederlandse
edelman was.
1. Habsburgers: machtige adellijke familie die regeerde over Oostenrijk, Spanje ,
Duitsland, delen van Italië en de Nederlanden.
Gewestelijke staten: het bestuur van de gewesten dat bestond uit
vertegenwoordigers van steden, adel en de kerk.
Privileges: rechten voor zelfbestuur van adel, steden en gewesten.
Staten-Generaal: bijeenkomst van afgevaardigden uit alle gewesten.
Centralisatiepolitiek: streven naar een eenwording van verschillende gewesten in
wetten en belastingen.
Particularisme: het vooropstellen van belangen van het eigen gewest.
Inquisitie: Rooms-katholieke geloofsrechtbank die onderzoek deed naar ketters en die
berechtte.
2. 1525: Jan de bakker in den haag verbrand, 1555: Filips II volgt Karel v op als heer der
Nederlanden
3. Er waren 17 provincies en de drie belangrijkste waren Vlaanderen, Brabant en Holland
4. De landsheer was Karel V en hij regeerde onder andere ook over Oostenrijk, Spanje,
Duitsland en delen van Italie
5. Privileges zijn rechten voor zelfbestuur van adel, steden en gewesten
6. De politiek van Karel V. hij wilde de macht van de gewesten verkleinen en de positie
van de regering in Brussel versterken.
7. Ze zagen hem zo omdat hij van het buitenland kwam, en hij kwam ook niet naar de
nederlanden om hun tegen te houden
8. Hij was de belangrijkste man omdat Fillips hem uitkoos!
De kennen:
1. je kent de betekenis van de vetgedrukte begrippen
2. je kent de volgorde jaartallen met de bijbehorende gebeurtenissen: 1525, 1555
3. je weet hoeveel gewesten er waren en wat de drie belangrijkste waren
4. je weet wie de landsheer was en waarover hij nog meer regeerde
5. je weet welke privileges met de gewestelijke staten hadden
6. je kent een reden voor de centralisatiepolitiek van Karel op verzet stuitte
7. je weet waarom de Nederlandse edelen Filips als ‘buitenlander zagen
8. je kent twee redenen waarom Willem van Oranje de belangrijkste Nederlandse
edelman was.
1. Habsburgers: machtige adellijke familie die regeerde over Oostenrijk, Spanje ,
Duitsland, delen van Italië en de Nederlanden.
Gewestelijke staten: het bestuur van de gewesten dat bestond uit
vertegenwoordigers van steden, adel en de kerk.
Privileges: rechten voor zelfbestuur van adel, steden en gewesten.
Staten-Generaal: bijeenkomst van afgevaardigden uit alle gewesten.
Centralisatiepolitiek: streven naar een eenwording van verschillende gewesten in
wetten en belastingen.
Particularisme: het vooropstellen van belangen van het eigen gewest.
Inquisitie: Rooms-katholieke geloofsrechtbank die onderzoek deed naar ketters en die
berechtte.
2. 1525: Jan de bakker in den haag verbrand, 1555: Filips II volgt Karel v op als heer der
Nederlanden
3. Er waren 17 provincies en de drie belangrijkste waren Vlaanderen, Brabant en Holland
4. De landsheer was Karel V en hij regeerde onder andere ook over Oostenrijk, Spanje,
Duitsland en delen van Italie
5. Privileges zijn rechten voor zelfbestuur van adel, steden en gewesten
6. De politiek van Karel V. hij wilde de macht van de gewesten verkleinen en de positie
van de regering in Brussel versterken.
7. Ze zagen hem zo omdat hij van het buitenland kwam, en hij kwam ook niet naar de
nederlanden om hun tegen te houden
8. Hij was de belangrijkste man omdat Fillips hem uitkoos!