Samenvatting aardrijkskunde
Waterkringloop Het process waarbij zeewater na verdamping uit zee via wolken, neerslag(korte) en via grondwater
en rivieren (lange) weer terugstroomt naar zee.
Zoet water Water waarin weinig zout is opgelost. Drinkwater is zoet water.
Zout water Water waarin veel zout is opgelost. Zeewater is zout water.
Oppervlaktewater Water dat je kunt zien zoals meren, vennen, rivieren en zeeen
Grondwater Water dat nit zichtbaar is omdat het in de bodem en in gesteenten getrokken is
Landijs Ijsmassa’s die op het vasteland liggen
Gletsjers Groot ijspakket in de bergen, dat ontstaat oor opeenhoping van sneeuw
Paragraaf 1
Water
gaat
terug
via
wat? Er
zijn 3
manieren: dat zijn via rivieren, meren en via grondwater
Paragraaf 2
Waterbalans De hoeveelheid water die een gebied in- en uitgaat
Nuttige neerslag Verschil tussen neerslag en verdamping, dus het water dat je overhoudt
Fossiel water Water in de grond dat stamt uit (een) eerdere tijd(en)
Aquifer Waterhoudende laag in de ondergrond
Vernieuwbaar water Water dat in het tempo aan gevuld wordt waarin het verbruikt wordt
Niet- vernieuwbaar water Water dat niet of maar heel langzaam wordt aangevuld waardoor het opraakt
(bijvoorbeeld in een Aquifer).
Duurzaam waterbeheer Waterbeheer waarbij alleen de voorraad vernieuwbaar water wordt gebruikt.
Een gebied kan op 3 manieren aan
waterkomen, namelijk door neerslag, door
aanvoer van water uit andere gebieden en
door de aanvoer van fossiel water.
Welke hoeveelheid is groter, de in of
uitkomst?
de monding is altijd groter dan de oorsprong, het uiteinde van de rivier dus!
Paragraaf 3
Waterkringloop Het process waarbij zeewater na verdamping uit zee via wolken, neerslag(korte) en via grondwater
en rivieren (lange) weer terugstroomt naar zee.
Zoet water Water waarin weinig zout is opgelost. Drinkwater is zoet water.
Zout water Water waarin veel zout is opgelost. Zeewater is zout water.
Oppervlaktewater Water dat je kunt zien zoals meren, vennen, rivieren en zeeen
Grondwater Water dat nit zichtbaar is omdat het in de bodem en in gesteenten getrokken is
Landijs Ijsmassa’s die op het vasteland liggen
Gletsjers Groot ijspakket in de bergen, dat ontstaat oor opeenhoping van sneeuw
Paragraaf 1
Water
gaat
terug
via
wat? Er
zijn 3
manieren: dat zijn via rivieren, meren en via grondwater
Paragraaf 2
Waterbalans De hoeveelheid water die een gebied in- en uitgaat
Nuttige neerslag Verschil tussen neerslag en verdamping, dus het water dat je overhoudt
Fossiel water Water in de grond dat stamt uit (een) eerdere tijd(en)
Aquifer Waterhoudende laag in de ondergrond
Vernieuwbaar water Water dat in het tempo aan gevuld wordt waarin het verbruikt wordt
Niet- vernieuwbaar water Water dat niet of maar heel langzaam wordt aangevuld waardoor het opraakt
(bijvoorbeeld in een Aquifer).
Duurzaam waterbeheer Waterbeheer waarbij alleen de voorraad vernieuwbaar water wordt gebruikt.
Een gebied kan op 3 manieren aan
waterkomen, namelijk door neerslag, door
aanvoer van water uit andere gebieden en
door de aanvoer van fossiel water.
Welke hoeveelheid is groter, de in of
uitkomst?
de monding is altijd groter dan de oorsprong, het uiteinde van de rivier dus!
Paragraaf 3