3.1 hoe betaal je?
- Chartaal geld: tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten.
- Geldfuncties: geld kun je gebruiken als ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel.
- Giraal geld: geld dat mensen op hun betaalrekening hebben.
- Saldo: het bedrag dat op je bankrekening staat. Dat kan een creditsaldo(+) of debetsaldo (-) zijn.
3.2 waarvoor zou je sparen?
- Enkelvoudige rente: rente die telkens na afloop van een jaar apart wordt uitgekeerd. Je
spaartegoed zelf veranderd niet.
- Samengestelde rente: rente-op-rente. De rente wordt na ieder jaar bijgeschreven op je
spaarrekening. In het volgende jaar krijg je rente over je spaarbedrag plus de bijgeschreven rente.
- Spaardeposito: spaarrekening waarop je geld voor een afgespoten tijd vast staat tegen een vast
rentepercentage.
- Spaarmotieven: redenen om te sparen. Je kunt sparen voor een doel, uit voorzorg of voor de rent.
- Variabele rente: de bank kan op ieder moment het rentepercentage wijzigen.
- Vaste rente: het rentepercentage blijft tijdens de afgesproken periode hetzelfde.
3.3 geld lenen kost geld!
- Consumptief krediet: een lening voor de aanschaf van een conspumtiegoed.
- Koop op afbetaling: een kredietvorm waarbij je een aankoop in termijnen kunt afbetalen.
- Krediet: ander woord voor een lening.
- Kredietkosten: alles wat je meer terugbetaalt dan je geleende bedrag.
- Kredietvormen: soort lening. Veelvoorkomende kredietvormen zijn:
Persoonlijke lening
Doorlopend krediet
Salariskrediet
Koop op afbetaling
- Leennotieven: redenen om geld te lenen. Je kun lenen:
Om een tijdelijk geldtekort op te vangen.
Omdat je nu al wilt genieten van een aankoop.
Voor onverwachte dringende uitgaven.
Voor de aankoop van een woning.
3.4 nog meer bankzaken?
- Beleggen: je steekt je geld in iets waarvan je verwacht dat het meer waard wordt.
- Eurozone: een groep landen binnen de Europese unie die de euro als wettig betaalmiddel hebben.
- Vreemde valuta: vreemd geld. Een soort geldsoort van landen buiten de eurozone.