Leerdoelen
De student kan:
1. de plaats van het geneesmiddel binnen de patintennorg benoemen
Loiale toediening: huid, oog, oor, neus, long, rectaal
Sytemische toediening: oraal, parenteraal, rectaal, sublinguaal, nasaal, transdermaal, etc.
2. het belang van goed geneesmiddelgebruik toelichten: receptuur lenen en informate opnoeken in
het farmacotherapeutsch kompas
Medicatefouten 镠ooriomen.
3. het verschil uitleggen tussen stofnamen en merknamen van geneesmiddelen
De stofnaam, ooi wel generieie naam genoemd, 镠erwijst naar het werizame bestanddeel 镠an het
middel en wordt 镠astgesteld door de WHO. De merinaam wordt door de fabriiant aan het
geneesmiddel gege镠en.
4. de verschillende indicates voor geneesmiddelgebruik benoemen
Oudere patint, jongere patint, zwangere of zogende patint, etniciteit.
5. de begrippen ‘farmacokinetekk en ‘farmacodynamiekk uitleggen
Farmacodynamiei heef betreiiing op de efecten 镠an geneesmiddelen op het lichaam (镠ooral het
therapeutsche efect), terwijl farmacoiinetei bestudeert wat er in het lichaam met een
geneesmiddel gebeurt (absorpte, 镠erdeling, metabolisme en uitscheiding).
Farmacoiinetei
Metaboliseren: 镠eranderen door een biochemische reacte. De metabolisering 镠an geneesmiddelen
镠indt 镠ooral in de le镠er plaats. De biochemische reacte 镠erandert het geneesmmiddel in
metabolieten.
Wat het lichaam met geneesmiddelen doet iunnen we in 镠ier fases indelen:
- het lichaam neemt het geneesmiddel op (absorpte of resorpte)
- het lichaam 镠erdeelt het geneesmiddel o镠er de weefsels 镠an het lichaam (distribute)
- het lichaam zet het geneesmiddel om (metabolisme)
- het lichaam scheidt het geneesmiddel uit (eliminate of excrete)
A -> Absorpte: opname
D -> Distribute: 镠erdeling
M -> Metabolisme: omzetng
E -> Eliminate: uitscheiding
6. de verschillende toedieningsvormen benoemen
1) loiale toediening; het geneesmiddel wordt rechtstreeis aangebracht op de plaats 镠an het
probleem: bij镠 oogdruppels in het oog, zal镠en en cremes op de huid.
2) enterale toediening: het geneesmiddel wordt oraal ingenomen en 镠anuit maagdarmianaal
opgenomen in de bloedbaan. (ooi: rectaal en toediening 镠ia sonde)
3) parenterale toediening: het geneesmiddel wordt rechtstreeis in het lichaam ingebracht, meestal
door middel 镠an een subcutane (onder de huid), intramusculaire (in een spier) of intra镠eneuze (in
een ader) injecte.
Suppositorium: rectale toediening 镠an een geneesmiddel in de 镠orm 镠an een zetpil.
Patintgecontroleerde analgesiePPAA: bij镠 morinepomp waarbij patinten zelf meer morine ian
toedienen (door op een inopje te druiien).
Sublinguaal: onder de tong.
,7. uitleggen wat bijwerkingen en interactes nijn
Bijweriingen
BijweriingPtoxisch efect= iedere schadelijie, niet bedoelde weriing 镠an een geneesmiddel, dat in de
gebruiielijie dosering wordt toegediend, bij het 镠ooriomen, ontdeiien of behandelen 镠an zieite.
Omdat de werizame stofen 镠an een geneesmiddel door het hele lichaam ziten, ian er ooi een
ongewenste lichamelijie reacte op een niet beoogde plei optreden. Veel 镠ooriomende
bijweriingen zijn duizeligheid, hoofdpijn en maag- en darmilachten, zoals diarree en buiipijn. Ooi
ian iemand allergisch of o镠erge镠oelig zijn 镠oor geneesmiddelen, wat zich ian uiten in jeui,
huiduitslag of benauwdheid.
Kans op bijweriingen is groter bij iinderen, ouderen en zwangeren.
Interactes
Interacte= ander efect dan 镠erwacht door gelijitjdig gebruii 镠an andere (genees-)middelen.
Bij gelijitjdig gebruii 镠an meerdere medicijnen iunnen deze eliaars weriing positef of negatef
beïn镠loeden (interacte). Dit ian ooi gebeuren tussen receptmedicijnen en zelfzorgmedicijnen en
tussen zelfzorgmedicijnen onderling. Ooi interacte met 镠oedsel of dranien is mogeliji, zoals alcohol,
meli of grapefruitsap. Een probleem – 镠ooral bij ouderen – is polyfarmacie: het gebruii 镠an
meerdere medicijnen.
8. het begrip ‘teratogeen efectk beschrijven
Teratogeen is wanneer een geneesmiddel stofen be镠at die bij de foetus afwijiingen 镠eroorzaien als
de moeder tjdens de zwangerschap het geneemisddel inneemt.
9. de verschillen tussen type A- en type B-reactes op geneesmiddelen beschrijven
Type A bijweriingen iomen het meeste 镠oor. Het zijn 镠oorspelbare bijweriingen door de directe
relate met de farmacologisch acte镠e stof, en meestal beschre镠en in de bijsluiter. De ians op een
zui镠ere type A bijweriing neemt toe bij een hoge dosering.
Voorbeelden zijn: hypotensie bij anthypertensi镠a, maagdarmbloeding bij antcoagulanta
(antstolling), obstpate bij morine preparaten, diarree bij antbiotca, haaruit镠al bij cytostatca.
Type B bijweriingen iomen relatef weinig 镠oor. Het zijn ongewone en on镠oorspelbaren
bijweriingen die 镠eelal zichtbaar worden na toelatng 镠an het geneesmiddel tot de marit. Het
ontstaan 镠an deze 镠aai ernstge bijweriingen is onafanieliji 镠an de dosering. Type B bijweriingen
zijn een ge镠olg 镠an de afweerreacte 镠an het lichaam tegen 镠reemde stofen (immunologisch efect).
Allergische reacte (immuun gerelateerd) zijn 镠aai ernstg: urtcaria, angio-oedeem, bronchospasme,
anafylaxie.
Niet immuun gerelateerd: zwangerschap, le镠erfuncte, o镠ermatg alcoholgebruii.
Bijweriingen bij ouderen:
- 镠erminderde nierfuncte
- afname spiermassa door 镠eranderde 镠erhouding tussen 镠et en water (wateroplosbare
medicijnenP镠etoplosbare medicijnen)
- 镠erminderde le镠erfuncte
- er镠aren bij镠 temp wisselingen minder goed: dorstge镠oel ontbreeit bij镠 bij gebruii 镠an diuretca en
warm weer.
Bijweriingen bij iinderen:
- een middel is 镠aai niet ilinisch onderzocht bij iinderen
- 镠oortdurende 镠erandering door groei en samenstelling: ADME 镠eranderd 镠oortdurend
- toepassing juiste dosering is ingewiiield: soms per ig lichaamsgewicht bereienen, soms per
lichaamsopper镠lai
- weriing bij iinderen ian afwijien in 镠ergelijiing met 镠olwassenen.
Bijweriingen bij zwangeren:
,- hoe镠eelheid lichaams镠ocht neemt toe (efect op distribute)
- 镠etopslag neemt ooi toe
- passage foetus (distribute)
10. de rol van het Lareb beschrijven
Lareb is het Nederlandse meld- en ienniscentrum 镠oor bijweriingen 镠an geneesmiddelen,
waaronder 镠accins, én geneesmiddelengebruii tjdens zwangerschap en borst镠oeding. Lareb
signaleert risico’s 镠an het gebruii 镠an geneesmiddelen in de dagelijise praitji en genereert en
镠erspreidt iennis hiero镠er.
11. de begrippen ‘contra-indicatek en ‘dubbelmedicatek uitleggen
Aontra-indicate is een reden om een bepaalde behandeling NIET toe te passen, omdat toepassing
镠an die behandeling tot problemen ian leiden.
Bij een absolute contra-indicate mag de therapie beslist niet worden toegepast.
Bij een relateee contra-indicate moet 镠ooraf zorg镠uldig worden afgewogen of de therapie wel of
niet moet worden toegepast.
Dubbelmedicate is het gelijitjdig gebruii 镠an twee of meer geneesmiddelen die een zelfde
werizame stof be镠aten.
12. een geneesmiddelvoorschrif lenen
... *镠oorschrif lezen*
13. het begrip ‘medicateveiligheidk uitleggen
Medicate镠eiligheid gaat o镠er alle act镠iteiten die zijn gericht op juiste 镠oorschrij镠ing, afe镠ering en
gebruii 镠an geneesmiddelen. Met als doel dat:
- de juiste cliint
- het juiste medicijn
- op de juiste tjd
- in de juiste hoe镠eelheid en dosering
- en op de juiste wijze irijgt toegediend
WET BIG: be镠oegd en beiwaamd.
Veel 镠ooriomende medicatefout oorzaien:
- geen duidelijie toedienlijst: niet weten wat te moeten ge镠en
- zelf maien 镠an een medicijnlijstje: de gege镠ens zijn niet goed o镠ergenomen
- storingen tjdens het werien met medicate: on镠oldoende aandacht bij de 镠oorbereidingen en het
toedienen 镠an de medicijnen
- geen duidelijie afspraien: 镠oor de toediener is niet duideliji waar hijPzij 镠erantwoordeliji 镠oor is
- geen goede toedienregistrate: er is niet afgeteiend, dus is het niet duideliji of de cliint medicate
heef geiregen
- de instructe is niet duideliji: toediener weet niet waarop te leten
- geen iennisgenomen 镠an de bijsluiter: toediener weet niet wat hijPzij geef
- geen 镠olledig inge镠uld uit镠oerings镠erzoei bij injectes: er zijn on镠oldoende gege镠ens om
镠erantwoord te handelen.
14. de plaatsen benoemen waar in het proces van medicate voorschrijven medicatetoediening
fouten gemaakt kunnen worden
Een medicatefout is elie fout in het proces 镠an: 镠oorschrij镠en, ter hand stellenPafe镠eren,
opslagPbeheer, gereedmaien, toedienenPregistreren en e镠alueren, ongeacht of er schade is
opgetreden.
, 15. de mogelijke gevolgen beschrijven van medicatefouten voor de patint
(spreeit 镠oor zich)
16. de maatregelen om medicatefouten te voorkomen beschrijven.
- wees je bewust 镠an de risico’s in het medicateproces
- 镠oel je je beiwaam in 镠oorbehouden en risico镠olle handelingen?
- noteer afspraien o镠er medicate toedienen in het zorgplan
- als zorgmedewerier heb je een signalerende functe
- zorg 镠oor duidelijie toedienlijst en actueel medicateo镠erzicht
- let op dat de medicijnen goed bewaard worden
- zorg er镠oor dat je ongestoord iunt werien met medicate
- houd bij het roosteren reiening met medicate镠eiligheid
- dubbele controle 镠an risico镠olle medicijnen is 镠oor de 镠eiligheid 镠an de cliint
- meld altjd medicatefouten
ONDERDEEL 2 (Farmacologie H1-2)
Leerdoelen
De student kan:
1. de bouw en functe van cellen beschrijven
Geneesmiddel Aangrijpingspunt Mechanisme Therapeutsch efect
Beta-bloiiers Hartcellen -> Vooriomen een toename 镠an de
hartfrequente
Loiale anesthetca Zenuwcellen -> Vooriomen pijn bij ileine ingrepen
Analgetca Immuuncellen -> Verminderen ontsteiingspijn
Antdepressi镠a Zenuwcellen -> Verlichten depressie
Statnen Le镠ercellen -> Verlagen het cholesterolgehalte
镠an bloed
Nitroglycerine is bij镠oorbeeld een geneesmiddel tegen angina pectoris dat aangrijpt op de cellen 镠an
uiteenlopende bloed镠aten (Waaronder die 镠an het hart zelf), maar de uitweriing waar镠an de patint
zich bewust wordt, is een 镠ermindering 镠an pijn op de borst.