3F niveau
1
,Inhoud
Spelling van werkwoorden....................................................................................................................3
Werkwoordspelling............................................................................................................................3
Spelling algemeen..................................................................................................................................5
Samenstelling met tussenletter -n- of -s-...........................................................................................5
Los aaneen of met een streepje.........................................................................................................5
Hoofdletter of kleine letter................................................................................................................6
Klinkerbotsing....................................................................................................................................8
Afkortingen........................................................................................................................................8
Meervoud en bezitsvorm...................................................................................................................8
Verkleinwoorden...............................................................................................................................9
Woordtekens.....................................................................................................................................9
Zinstructuur.........................................................................................................................................10
Leestekens:......................................................................................................................................10
Zinsontleding...................................................................................................................................11
Woordsoorten.................................................................................................................................12
Stijl in zinnen....................................................................................................................................13
Algemeen taalgebruik..........................................................................................................................14
Taalkwesties....................................................................................................................................14
Stijl in woorden................................................................................................................................15
2
, Spelling van werkwoorden
Werkwoordspelling
- Hoe vind je de persoonsvorm:
- Maak de zin vragend. Het eerste werkwoord is de persoonsvorm.
- Verander de tijd van de zin. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
- Zet het onderwerp in het meervoud of enkelvoud. Het werkwoord dat verandert, is de
persoonsvorm.
- Twee of meer persoonsvormen:
- Als je de tijd van de zin verandert, is het werkwoord dat mee verandert de persoonsvorm.
- Ik-vorm:
- Je schrijft de ik-vorm als het woord je direct achter de persoonsvorm staat en je je kunt
vervangen door jij. Je moet dus het onderwerp zijn.
- ‘je’ achter de persoonsvorm:
- Je schrijft de ik-vorm (Vind) als het woord je direct achter de persoonsvorm staat en
je je kunt vervangen door jij. Je moet dus het onderwerp zijn.
- Maar in de zin kun je je niet vervangen door jij. Schrijf de ik-vorm + -t.
- Gebiedende wijs:
- Voor de gebiedende wijs gebruiken we de ik-vorm.
- een gebiedende wijs met 'u' als onderwerp krijgt een -t.
- Tegenwoordige tijd:
- Als hij, zij, het of een andere derde persoon enkelvoud het onderwerp is, dan komt er een -
t achter de ik-vorm in de tegenwoordige tijd.
- We schrijven een -t achter de ik-vorm als je, jij of u (tweede persoon enkelvoud) voor de
persoonsvorm staat.
- Verleden tijd zwak:
- In de verleden tijd zet je -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm van het werkwoord. Als je niet
kunt horen of je -de(n) of -te(n) moet schrijven, gebruik je het ezelsbruggetje van 't ex-
kofschip.
- Verleden tijd sterk:
- Bij de vervoeging in de verleden tijd en/of de vorming van het voltooid deelwoord van
sterke werkwoorden is er sprake van een klinkerwisseling.
- ’t ex-kofschip:
- Als de letter voor de uitgang -en van het hele werkwoord niet een van de medeklinkers is
van 't ex-kofschip is (hier een -r), krijgt het voltooid deelwoord een -d.
3