Week 1
Het strafrecht heeft allerlei normen, zoals sociale normen. Als je iets doet wat niet
mag, moeten strafbaar gesteld worden. Maar, een norm wordt niet genoemd in een
delictsomschrijving. Als dit zo is moet iedereen dezelfde straf krijgen en dat is niet
wat er geregeld wordt met het strafrecht. Daarom wordt de gedraging in de
delictsomschrijving genoemd.
Kenmerken
Het strafrecht heeft een aantal kenmerken. Als eerst is er een monopoliepositie van
de overheid, hiermee wordt eigenrichting (= voor eigen rechter spelen) voorkomen en
mag alleen de overheid optreden wanneer er een strafbaar feit zich voordoet. Ook
een belangrijk kenmerk van het strafrecht is een vergelding of resocialisatie. Het
moment dat een verdachte zijn straf heeft uitgezeten, moet het proces van
resocialisatie goed ingezet worden om recidive te voorkomen. Strafoplegging mag
niet zomaar. Strafoplegging is een ultimum remedium, het moet dus echt het laatste
redmiddel zijn.
Bronnen
Het materiële strafrecht heeft verschillende bronnen. Dit zijn namelijk:
De wet: Wetboek van Strafrecht en bijzondere strafwetten o.a. WVW, WWM,
Opw
Jurisprudentie
Verdragen
Rechtsbeginselen
Literatuur
Straftheorieën/strafdoelen
Als het gaat over het rechtvaardigen van straffen moet je kijken naar de twee
straftheorieën. Je hebt de absolute theorieën, dit is gericht op het verleden van een
strafbaar feit. Onder de absolute theorie valt vergelding. Vergelding is een
verzamelterm voor begrippen als leedtoevoeging, herstel en genoegdoening. De
dader moet voelen dat hij iets heeft gedaan wat niet door de beugel kan en het
slachtoffer met recht gedaan worden. Ook heb je relatieve theorieën, dit is gericht op
de toekomst. Deze kun je verdelen in twee categorieën. Je hebt de generale
preventie, dit wil zeggen anderen ervan weerhouden delicten te plegen door
afschrikking, en je hebt de speciale preventie, de bedoeling hiervan is om daders
ervan te weerhouden opnieuw delicten te plegen, bijvoorbeeld dor
gedragsverandering en resocialisatie.
Grondbeginselen
Het legaliteitsbeginsel, ook wel ‘Nulla poena sine praevia lege poenali’, zegt dat een
straf moet berusten op een voorafgaande wettelijke strafbepaling. Dit is geregeld in
de artikelen 16 Gw, 1 Sr en 7 EVRM. Hier zijn een aantal subregels aan verbonden.
De straf moet namelijk berusten op een wet in formele zin. Als tweede heb je het
verbod van terugwerkende kracht. Hierbij mag je alleen kijken naar wat er in het
verleden is gebeurd, niet naar hoe de situatie nu is. Als er tussendoor een
, wetswijziging is geweest, moet je kijken naar wat het gunstigste is voor de dader.
Ook moet er helderheid zijn in de wet, zo wordt discussie voorkomen. Dit wordt ook
wel het bestimmtheitsgebot (lex certa) genoemd. Het bestimmtheitsgebot richt zich
als eerst op de wetgever aangezien hij een vage strafbepaling moet vermijden. Het is
de rechter dan ook niet toegestaan om art. 16 GW te toetsen aan een vage
strafbepaling, hij moet deze ‘gewoon’ toetsen. Als laatste is er een verbod van
analogische interpretatie. Een rechter mag een bepaalde gedraging niet onder een
verkeerd artikel scharen. De rechter moet dan ook de uitleg van een wetsbepaling in
vier verschillende methoden onderscheiden:
1. De taalkundige of grammaticale methode: de rechter moet een gangbare
betekenis maken waarbij hij op het zinsverband moet letten;
2. De teleologische methode: de rechter kijkt naar de bedoeling van de wetgever
of naar de beginselen die de wetgever aan zijn bepalingen ten grondslag heeft
gelegd, dan wel de eisen die de samenleving stelt.
3. De systematische methode: de rechter laat de uitleg van een bepaling van het
systeem van de regeling waarin deze bepaling staat afhangen;
4. De historische methode: de rechter gaat na wat er over de uitleg van een
bepaling is gezegd bij de totstandkoming van de wet (wetshistorisch), dan wel
vroegere regelingen in zijn exegese betrekt (rechtshistorisch)
Een ander grondbeginsel is dat er geen straf kan zijn zonder schuld. Voor
strafbaarheid is in beginsel steeds schuld vereist. De verdachte wordt voor
onschuldig gehouden totdat de schuld door de rechter is vastgesteld, dit is geregeld
in art. 6 lid 2 EVRM. De afwezigheid van alle schuld levert een buitenwettelijke
strafuitsluitingsgrond op. De verdachte wordt daardoor niet vrijgesproken, maar
ontslagen van alle rechtsvervolging. Schuld is een ander woord voor
verwijtbaarheid. Het is dus pas schuld als je ‘er iets aan kon doen’ en dit stelt dus
een keuzemogelijkheid. Aangezien schuld in beginsel steeds een vereiste van
strafbaarheid is, speelt het een rol bij alle delicten en dus niet alleen bij een
overtreding. Bij misdrijven is verwijtbaarheid een voorwaarde voor strafbaarheid.
Hierbij is de vraag hoe de algemene voorwaarden zich verhouden tot de
‘schuldvormen’ opzet en culpa die vaak als bijzonder kenmerken van het delict zijn
vereist. Opzet is een vereiste dat alleen bij bepaalde delicten, de doleuse of
opzetdelicten, een rol speelt. Hetzelfde geldt voor schuld die kenmerk is van de
culpose delicten. Voor deze schuld wordt de term culpa bevestigd. De schuld die bij
alle delicten is vereist, wordt aangeduid met de term verwijtbaarheid.
Week 2
Strafbaar feit
De opbouw van een strafbaar feit heeft vier voorwaarden. Als eerst moet er sprake
zijn van een menselijke gedraging. Deze gedraging moet omschreven staan in een
delictsomschrijving. Een delictsomschrijving bestaat uit bestanddelen, je hebt vier
verschillende bestanddelen, namelijk: subjectief bestanddeel, objectief bestanddeel,
geobjectiveerd bestanddeel en een stilzwijgend bestanddeel. Natuurlijk moet deze
gedraging ook wederrechtelijk zijn en er moet als laatste sprake zijn van schuld. De
laatste twee zijn elementen.
Rechtelijk beslismodel