1. Iemand krijgt de volgende behandeling:
Exposure in vivo met responsprevente
Zelfcontrole technieken
Cogniteve gedragstherapie
Antdepressiva
Waar lijdt zij aan?
A. dissociateve stoornis
B. OCS
C. trichotlomanie
D. psychose
2. Elisa heef maanden geleden iets ergs mee gemaakt en ligt hier nog regelmatg wakker
van en is regelmatg angstg zij lijdt aan:
A. PTSS
B. Burn out
C. Acute stressstoornis
D. Borderline
. Patrick zijn klachten en symptomen horen niet bij de gebruikelijke belevingswereld en
manier van doen. Hij ervaart dit ook zo. Zijn stoornis is:
A. Egodystoon
B. Dramatsch
C. Egosyntoon
D. theatraal
4. Bart zegt dat je persoonlijkheidsstoornissen kunt indelen in:
A. extra muraal, semi muraal en intra muraal
B. gafscore
C. mate van ernst
D. clusters
5. Erik vertoont geen vreemd en excentriek gedrag, maar hij is wel heel dramatsch,
emotoneel en vertoont onvoorspelbaar gedrag. Er is geen stabiliteit in zijn stemming,
zelfeeld en zijn relate. Ook vindt hij het nodig om snel (ssociale regels te overtreden. Welke
stoornis heef Erik:
A. dwangmatge pers. Stoornis
B. narcistsche pers. Stoornis
C. paranoïde pers. Stoornis
D. ant-sociale per. Stoornis
6. Tom vertoont vaak vreemd en excentriek gedrag. Hij zit in een sociaal isolement. Als je let
op zijn taalgebruik, gedachten dan zijn deze ongewoon. Welke stoornis heef Tom:
A. schizotypische stoornis
B. histronische stoornis
C. borderline pers. stoornis
D. schizoïde pers. stoornis
, 7. Bea zegt dat één van de volgende eetstoornissen nieuw is in de DSMV:
A. boulimia
B. Anorexia nervosa restrictef type
C. Anorexia nervosa purgerend type
D. Binge eatng disorder
8. Denise vraagt zich af welke stoornis er bij de volgende behandeling hoort:
Gedragstherapie gericht op zelfcontrole
Antdepressiva
Groepstherapie
A. Eetstoornis
B. impulsbeheersingsstoornis
C. persoonlijkheidsstoornis
D. cogniteve stoornis
9. Pieter vraagt zich af volgens welke fasen een verslaving werkt
A. experimenteel, recreatef, geïntegreerd, problematsch, aaankelijk gebruik
B. experimenteel, recreatef, problematsch, geïntegreerd, aaankelijk gebruik
C. experimenteel, recreatef, problematsch, aaankelijk, geïntegreerd gebruik
D. experimenteel, recreatef, aaankelijk, geïntegreerd, problematsch gebruik
10. Michelle vraagt zich af wat de globale efecten van genotmiddelen gebruik kunnen zijn:
A. upper/stmulerend
B. downer/dempend
C. tripper/vervormend
D. alle zijn juist
11. Els zegt het volgende:
1. manie: euforische stemming, onbezonnen/roekeloos gedrag
2. hypomanie: is nog een stapje erger dan manie
Welke bewering(sen zijn juist:
A. 1 en 2
B. 1
C. 2
D. geen van beide
12. Edwin zegt dat sommige jongeren last hebben van forse woede uitbarstngen en erg
prikkelbaar zijn. Wat is er met die jongeren aan de hand?
A. premenstruele stemmingsstoornis
B. persisterende depressieve stoornis
C. disrupteve stemmingsdisregulate stoornis
D. depressieve stoornis