Hoorcollege 1. Sociologie
We gaan in op de vraag op welke wijze mensen leren hoe de wereld in elkaar zit en welke verwachtingen zij
daarbij ontwikkelen.
Er worden socialisatieprocessen beschreven via welke wij ons de normen en waarden ‘eigen maken’. Ze maken
dat mensen kunnen leren en hun gedrag ontwikkelen.
Wanneer kinderen worden geboren zijn het nog ‘onnozele’ kinderen: ze lijken zich volledig te vormen naar de
verwachtingen van hun ouders. Ze zijn een ‘onbeschreven blad’ (tabula rasa).
Nature versus nurture
Om het gedrag van mensen te kunnen verklaren, wordt er gekeken naar wat aangeleerd wordt en tegelijkertijd
beseffen we dat er ook aangeboren gedrag is. De verhouding tussen aangeboren en aangeleerd is wordt ook wel
het nature-nurture-debat genoemd.
Wat leren we in onze socialisatie?
Socialisatie = het proces waarbij mensen leren zich sociaal te gedragen in de voor hen relevante groepen.
De socialisators zijn aan het begin meestal de opvoeders, ouders, broertjes of zusjes en de
kinderopvang. Naarmate we ouder worden, krijgen we met steeds meer socialisators en socialiserende instanties
te maken, zoals het onderwijs, een sportvereniging. We blijven voortdurend denken welk gedrag er in elke
situatie ‘normaal’ gevonden wordt en passen ons daaropaan.
Bij opvattingen over hoe we ons dienen te gedragen is een onderscheid te maken tussen waarden en normen.
Waarden = de met anderen gedeelde voorstellingen over wat juist en goed is en daardoor nastrevenswaardig.
Per groepering bestaan er verschillen in opvatting over welke waarden wel of niet gelden en welke waarden
belangrijker zijn dan andere waarden. Deze verschillende gerichtheid wordt uitgedrukt met de termen ‘wij-
cultuur’ (groepsgericht) en ‘ik-cultuur’ (persoonsgericht, westerse cultuur).
Sociale cohesie = sociale samenhang
Wanneer waarden worden omgezet in een visie op de toekomst of een gewenste ontwikkelingsrichting, spreken
we over doelen.
Doel = een denkbeeldige toekomstige situatie die wij nastreven. We leren in onze socialisatie om doelen te
stellen, als carrière maken.
Aan waarden zijn twee aspecten te onderscheiden:
- ‘Zeg-gedrag’, dus hoe erover gepraat wordt
- ‘Doe-gedrag’, dus wat er gedaan wordt.
Of we ons aan de waarden houden, hangt van de situatie af. Waarden zijn met andere woorden ‘voorwaardelijk’.
Waarden fungeren als een maatstaf voor het beoordelen van het gedrag in bepaalde situaties. Een voorbeeld
hiervan is de waarde ‘maagdelijkheid’.
Normen = concrete gedragsregels die aangeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie, wat je moet doen
of juist niet moet doen.
Bijvoorbeeld, de waarde ‘beleefdheid’ wordt vertaald in de normen ‘mensen niet in de rede vallen’ en ‘in de
winkel op je beurt wachten’.
,Normen zijn te onderscheiden in:
- Morele normen over goed en kwaad.
- Juridische normen over legaal of niet legaal, juridisch wel of niet geoorloofd.
- Sociale normen over gepast en ongepast.
Vaak vallen de normen samen, mensen gedragen zich omdat het én zo hoort én wettelijk zo is vastgelegd én
goed is, maar niet altijd.
We zijn ons vaak niet bewust van onze eigen normen en waarden. We worden daar pas bewust van wanneer we
met andere groepen in contact komen of als er in de loop der tijd veranderingen plaatsvinden waardoor die
normen en waarden niet meer opgaan.
Proces van internalisering = het onbewust eigen maken van gedragsnormen. Dit is handig, omdat je dan niet over
elke handeling hoeft na te denken. Het is vanzelfsprekend.
Hospitalisering = vorm van internalisering. Mensen die in een situatie terechtkomen waarin hun gedrag zo door
anderen bepaald en geregeld wordt, dat ze zelf nauwelijks meer enig initiatief kunnen nemen.
Bijvoorbeeld, in instellingen als ziekenhuizen of kloosters.
Rol = complex van normen en verwachtingen met betrekking tot het gedrag en de positie van iemand anders.
Bijvoorbeeld, rollen van verkoper, arts, zoon, echtgenoot.
Extern en intern rollenconflict
Over de eisen aan de roldrager verschillen de meningen. De verwachtingen kunnen zo uiteenlopen dat ze moeilijk
te combineren zijn. We spreken dan van een rollenconflict.
We maken onderscheid tussen twee soorten rollenconflicten.
- Extern rollenconflict
- Intern rollenconflict
Bij een extern rollenconflict kan iemand als gevolg van verschillende posities die hij tegelijkertijd inneemt, de
verschillende verwachtingen die aan hem worden gesteld, moeilijk combineren. Denk aan de rol arts in
combinatie met het vaderschap.
Bij een intern rollenconflict gaat het om één sociale positie die moeilijk te combineren is met verschillende
verwachtingen die aan iemand gesteld worden.
Het gedrag van de roldrager bij een conflict
Bij elk rollenconflict hangt het gedrag van de roldrager af van twee aspecten.
- De druk (invloed) die anderen van verschillende kanten op hem kunnen uitoefenen, hoe subtiel die soms
ook zal zijn.
- De kracht van eigen verwachtingen versus wat er leeft in de groep waar de roldrager deel uit maakt.
Bij het rolbegrip moeten we bedacht zijn op het volgende.
- Er wordt te vaak van uitgegaan dat de rolverwachtingen eenduidig zijn.
- De rol wordt niet eenzijdig vastgesteld, zoals soms wel gedacht wordt.
Institutie = een gestandaardiseerd patroon van denken en doen in bepaalde situaties.
Institutionaliseren = proces waarbij nieuwe vormen tot instituties worden.
Zie voorbeeld bladzijde 35
Instanties = organisaties die instituties ‘dragen’.
Voor het onderwijs zijn dat de scholen, voor het recht is dat de rechterlijke macht, voor ouderschap is dat het
gezin, voor het geloof of godsdienst is dat bijvoorbeeld de kerk.
, Reïnficatie
Reïnficatie = verschijnsel dat sociologische begrippen worden gezien als iets dat op zichzelf en los van mensen
staat en zelfstandig sturing geven aan het menselijke gedrag.
Bijvoorbeeld, organisaties, team, management.
Sociale controle = het geheel van reacties om de waarden en normen te handhaven.
- Positieve sancties = reacties die bestaan uit beloningen ter goedkeuring, ondersteuning of instemming.
- Negatieve sancties = reacties die bestaan uit straffen ter afkeuring.
Door sociale controle wordt maatschappelijke samenhang geschapen en worden waarden en normen aan elkaar
overgedragen. We leren het verschil tussen goed en kwaad en hoe we ons in situaties horen te gedragen. Door
sociale controle leren mensen wat ze van elkaar kunnen verwachten en wordt het leven overzichtelijk.
Sociale controle wordt niet alleen maar uitgevoerd door politieagenten. Die corrigeren echter alleen maar
negatief gedrag. Het goede gedrag kan bijvoorbeeld worden beloond door leerkrachten op school.
Er zijn vier manieren om gewenst gedrag te stimuleren.
- De stok – je kunt mensen straffen met bijvoorbeeld boetes, met de stok slaan, de negatieve sancties.
- De wortel – je kunt mensen belonen met cadeautjes, de wortel voor het paard, positieve sancties.
- De preek – je kunt mensen overtuigen door middel van een preek hoe het hoort.
- De verleiding – je kunt mensen verleiden tot bepaalde gedrag.
De verleiding wordt in het Engels ‘nudging’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is een vlieg in het urinoir plakken,
zodat kinderen daarop plassen, om minder te spetteren.
Tegenstrijdige verwachtingen
De sociale controle die op mensen wordt uitgeoefend, kan tegengestelde elementen bevatten doordat de
verschillende betrokkenen verschillende waarden belangrijk achten.
Bijvoorbeeld een extern rollenconflict van een thuiswonende. Ouders willen graag dat hij zijn spullen opruimt en
op tijd thuis is. Zijn studiegenoten willen dat hij een avond mee gaat stappen. Dit zijn dus tegenstrijdige
verwachtingen van elkaar.
Instituties als sociale controle
Het is moeilijk om uit te spreken als je iets anders wilt. Je moet namelijk opboksen tegen de macht van de
vanzelfsprekendheid, een vorm van sociale controle. Instanties worden aangeduid als totale instituties.
Wanneer normen overtreden worden, wordt dat bedoeld als onprettig, onbehoorlijk, onduldbaar of onwettig
gedrag.
- Onprettig of onbehoorlijk – we ergeren ons eraan, maar is moeilijk in te perken.
- Onduldbaar – normoverschrijdingen die de politie niet makkelijk kan aanpakken.
- Onwettig – gedrag overtreedt de wet.
Waarom houden mensen zich aan normen: de rationele-keuzetheorie
In de rationele-keuzetheorie wordt het gedrag van mensen gezien als een afweging van kosten en baten. Wel of
niet zwartrijden met het openbaar vervoer?
Bijvoorbeeld, wanneer er geen conducteurs zijn, wordt er gratis gereisd met het openbaar vervoer. Het zal
beginnen in kleine groepen, maar uitlopen op het grootste gedeelte van de bevolking. De norm wordt dan
ongeloofwaardig. Je gaat toch geen kaartje kopen ‘voor niks’?
We gaan in op de vraag op welke wijze mensen leren hoe de wereld in elkaar zit en welke verwachtingen zij
daarbij ontwikkelen.
Er worden socialisatieprocessen beschreven via welke wij ons de normen en waarden ‘eigen maken’. Ze maken
dat mensen kunnen leren en hun gedrag ontwikkelen.
Wanneer kinderen worden geboren zijn het nog ‘onnozele’ kinderen: ze lijken zich volledig te vormen naar de
verwachtingen van hun ouders. Ze zijn een ‘onbeschreven blad’ (tabula rasa).
Nature versus nurture
Om het gedrag van mensen te kunnen verklaren, wordt er gekeken naar wat aangeleerd wordt en tegelijkertijd
beseffen we dat er ook aangeboren gedrag is. De verhouding tussen aangeboren en aangeleerd is wordt ook wel
het nature-nurture-debat genoemd.
Wat leren we in onze socialisatie?
Socialisatie = het proces waarbij mensen leren zich sociaal te gedragen in de voor hen relevante groepen.
De socialisators zijn aan het begin meestal de opvoeders, ouders, broertjes of zusjes en de
kinderopvang. Naarmate we ouder worden, krijgen we met steeds meer socialisators en socialiserende instanties
te maken, zoals het onderwijs, een sportvereniging. We blijven voortdurend denken welk gedrag er in elke
situatie ‘normaal’ gevonden wordt en passen ons daaropaan.
Bij opvattingen over hoe we ons dienen te gedragen is een onderscheid te maken tussen waarden en normen.
Waarden = de met anderen gedeelde voorstellingen over wat juist en goed is en daardoor nastrevenswaardig.
Per groepering bestaan er verschillen in opvatting over welke waarden wel of niet gelden en welke waarden
belangrijker zijn dan andere waarden. Deze verschillende gerichtheid wordt uitgedrukt met de termen ‘wij-
cultuur’ (groepsgericht) en ‘ik-cultuur’ (persoonsgericht, westerse cultuur).
Sociale cohesie = sociale samenhang
Wanneer waarden worden omgezet in een visie op de toekomst of een gewenste ontwikkelingsrichting, spreken
we over doelen.
Doel = een denkbeeldige toekomstige situatie die wij nastreven. We leren in onze socialisatie om doelen te
stellen, als carrière maken.
Aan waarden zijn twee aspecten te onderscheiden:
- ‘Zeg-gedrag’, dus hoe erover gepraat wordt
- ‘Doe-gedrag’, dus wat er gedaan wordt.
Of we ons aan de waarden houden, hangt van de situatie af. Waarden zijn met andere woorden ‘voorwaardelijk’.
Waarden fungeren als een maatstaf voor het beoordelen van het gedrag in bepaalde situaties. Een voorbeeld
hiervan is de waarde ‘maagdelijkheid’.
Normen = concrete gedragsregels die aangeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie, wat je moet doen
of juist niet moet doen.
Bijvoorbeeld, de waarde ‘beleefdheid’ wordt vertaald in de normen ‘mensen niet in de rede vallen’ en ‘in de
winkel op je beurt wachten’.
,Normen zijn te onderscheiden in:
- Morele normen over goed en kwaad.
- Juridische normen over legaal of niet legaal, juridisch wel of niet geoorloofd.
- Sociale normen over gepast en ongepast.
Vaak vallen de normen samen, mensen gedragen zich omdat het én zo hoort én wettelijk zo is vastgelegd én
goed is, maar niet altijd.
We zijn ons vaak niet bewust van onze eigen normen en waarden. We worden daar pas bewust van wanneer we
met andere groepen in contact komen of als er in de loop der tijd veranderingen plaatsvinden waardoor die
normen en waarden niet meer opgaan.
Proces van internalisering = het onbewust eigen maken van gedragsnormen. Dit is handig, omdat je dan niet over
elke handeling hoeft na te denken. Het is vanzelfsprekend.
Hospitalisering = vorm van internalisering. Mensen die in een situatie terechtkomen waarin hun gedrag zo door
anderen bepaald en geregeld wordt, dat ze zelf nauwelijks meer enig initiatief kunnen nemen.
Bijvoorbeeld, in instellingen als ziekenhuizen of kloosters.
Rol = complex van normen en verwachtingen met betrekking tot het gedrag en de positie van iemand anders.
Bijvoorbeeld, rollen van verkoper, arts, zoon, echtgenoot.
Extern en intern rollenconflict
Over de eisen aan de roldrager verschillen de meningen. De verwachtingen kunnen zo uiteenlopen dat ze moeilijk
te combineren zijn. We spreken dan van een rollenconflict.
We maken onderscheid tussen twee soorten rollenconflicten.
- Extern rollenconflict
- Intern rollenconflict
Bij een extern rollenconflict kan iemand als gevolg van verschillende posities die hij tegelijkertijd inneemt, de
verschillende verwachtingen die aan hem worden gesteld, moeilijk combineren. Denk aan de rol arts in
combinatie met het vaderschap.
Bij een intern rollenconflict gaat het om één sociale positie die moeilijk te combineren is met verschillende
verwachtingen die aan iemand gesteld worden.
Het gedrag van de roldrager bij een conflict
Bij elk rollenconflict hangt het gedrag van de roldrager af van twee aspecten.
- De druk (invloed) die anderen van verschillende kanten op hem kunnen uitoefenen, hoe subtiel die soms
ook zal zijn.
- De kracht van eigen verwachtingen versus wat er leeft in de groep waar de roldrager deel uit maakt.
Bij het rolbegrip moeten we bedacht zijn op het volgende.
- Er wordt te vaak van uitgegaan dat de rolverwachtingen eenduidig zijn.
- De rol wordt niet eenzijdig vastgesteld, zoals soms wel gedacht wordt.
Institutie = een gestandaardiseerd patroon van denken en doen in bepaalde situaties.
Institutionaliseren = proces waarbij nieuwe vormen tot instituties worden.
Zie voorbeeld bladzijde 35
Instanties = organisaties die instituties ‘dragen’.
Voor het onderwijs zijn dat de scholen, voor het recht is dat de rechterlijke macht, voor ouderschap is dat het
gezin, voor het geloof of godsdienst is dat bijvoorbeeld de kerk.
, Reïnficatie
Reïnficatie = verschijnsel dat sociologische begrippen worden gezien als iets dat op zichzelf en los van mensen
staat en zelfstandig sturing geven aan het menselijke gedrag.
Bijvoorbeeld, organisaties, team, management.
Sociale controle = het geheel van reacties om de waarden en normen te handhaven.
- Positieve sancties = reacties die bestaan uit beloningen ter goedkeuring, ondersteuning of instemming.
- Negatieve sancties = reacties die bestaan uit straffen ter afkeuring.
Door sociale controle wordt maatschappelijke samenhang geschapen en worden waarden en normen aan elkaar
overgedragen. We leren het verschil tussen goed en kwaad en hoe we ons in situaties horen te gedragen. Door
sociale controle leren mensen wat ze van elkaar kunnen verwachten en wordt het leven overzichtelijk.
Sociale controle wordt niet alleen maar uitgevoerd door politieagenten. Die corrigeren echter alleen maar
negatief gedrag. Het goede gedrag kan bijvoorbeeld worden beloond door leerkrachten op school.
Er zijn vier manieren om gewenst gedrag te stimuleren.
- De stok – je kunt mensen straffen met bijvoorbeeld boetes, met de stok slaan, de negatieve sancties.
- De wortel – je kunt mensen belonen met cadeautjes, de wortel voor het paard, positieve sancties.
- De preek – je kunt mensen overtuigen door middel van een preek hoe het hoort.
- De verleiding – je kunt mensen verleiden tot bepaalde gedrag.
De verleiding wordt in het Engels ‘nudging’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is een vlieg in het urinoir plakken,
zodat kinderen daarop plassen, om minder te spetteren.
Tegenstrijdige verwachtingen
De sociale controle die op mensen wordt uitgeoefend, kan tegengestelde elementen bevatten doordat de
verschillende betrokkenen verschillende waarden belangrijk achten.
Bijvoorbeeld een extern rollenconflict van een thuiswonende. Ouders willen graag dat hij zijn spullen opruimt en
op tijd thuis is. Zijn studiegenoten willen dat hij een avond mee gaat stappen. Dit zijn dus tegenstrijdige
verwachtingen van elkaar.
Instituties als sociale controle
Het is moeilijk om uit te spreken als je iets anders wilt. Je moet namelijk opboksen tegen de macht van de
vanzelfsprekendheid, een vorm van sociale controle. Instanties worden aangeduid als totale instituties.
Wanneer normen overtreden worden, wordt dat bedoeld als onprettig, onbehoorlijk, onduldbaar of onwettig
gedrag.
- Onprettig of onbehoorlijk – we ergeren ons eraan, maar is moeilijk in te perken.
- Onduldbaar – normoverschrijdingen die de politie niet makkelijk kan aanpakken.
- Onwettig – gedrag overtreedt de wet.
Waarom houden mensen zich aan normen: de rationele-keuzetheorie
In de rationele-keuzetheorie wordt het gedrag van mensen gezien als een afweging van kosten en baten. Wel of
niet zwartrijden met het openbaar vervoer?
Bijvoorbeeld, wanneer er geen conducteurs zijn, wordt er gratis gereisd met het openbaar vervoer. Het zal
beginnen in kleine groepen, maar uitlopen op het grootste gedeelte van de bevolking. De norm wordt dan
ongeloofwaardig. Je gaat toch geen kaartje kopen ‘voor niks’?