1. Beoordeel of onderstaande stellingen juist of onjuist zijn.
Stelling één: Het Wetboek van Stafrecht is een wet in materiële zin.
Stelling twee: De Wegenverkeerswet is een wet in materiële zin.
a. Stelling één is juist, stelling twee is onjuist.
b. Stelling twee is juist, stelling één is onjuist.
c. Beide stellingen zijn juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.
2. Een verdachte mag niet worden gedwongen zichzelf te belasten in een strafprocedure.
Hoe noemt men dit principe?
a. het legaliteitsbeginsel
b. de onschuldpresumptie
c. het ne bis in idem-beginsel
d. het nemo tenetur-beginsel
3. Wat is een bestanddeel van art. 186 Sr?
a. deelneming aan samenscholing
b. gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden
c. wederrechtelijk begeven bij een volksoploop
d. zich niet onmiddellijk verwijderen
4. Welk van onderstaande artikelen is een klachtdelict?
a. art. 273 Sr
b. art. 274 Sr
c. art. 160 Sv
d. art. 164 Sv
5. Wat voor soort delict is omschreven in art. 283 lid 2 Sr?
a. een culpoos, gekwalificeerd delict
b. een doleus, geprivilegieerd delict
c. een geprivilegieerd commissiedelict
d. een gekwalificeerd omissiedelict
6. Welke causaliteitsleer wordt gevolgd in het Letale-Longemboliearrest?
a. causima-proximaleer
b. conditio-sine que non
c. leer van de redelijk toerekening
d. voorzienbaarheidleer
7. In het strafrecht zijn verschillende gradaties van opzet te onderscheiden. Wat is de
laagste vorm van opzet?
a. oogmerk