Methode: Biologie voor jou
,Inhoud
Thema 1: Stofwisseling........................................................................................... 3
Thema 2: DNA...................................................................................................... 12
Thema 3: Mens en milieu..................................................................................... 23
Thema 4: Voeding................................................................................................ 34
Thema 5: Transport.............................................................................................. 42
Thema 6: Gaswisseling en uitscheiding................................................................53
Hoofdstuk 7 Bescherming en evenwicht..............................................................62
2
,Thema 1: Stofwisseling
D1 Verzuurde spieren
Verzuring in spieren ontstaat als spiercellen te weinig zuurstof krijgen.
Verzuringsgrens = de grens waarbij te weinig zuurstof door verbranding wordt
aangevoerd.
- Zuurstofloze omzetting van glucose in melkzuur (anaeroob)
______________________________________________________________
D2 Stofwisseling?
Energie is nodig voor:
1 Bewegen
2 Lichaam warm houden
3 Groei en herstel
4 Oude cellen vervangen (cellen nemen water, voedingsstoffen en zuurstof op en
geven afval stoffen af)
Door chemische reacties nieuwe stoffen
Voorbeelden van energierijke stoffen: eiwitten, vetten en glucose.
Stofwisseling = het totaal van alle chemische processen in de cellen van een
organisme.
Stofwisselingsprocessen = alle omzettingen van stoffen en energie in de cellen
van je lichaam bij elkaar.
Organische stoffen:
1 Grote, ingewikkelde gebouwde moleculen
2 Bevatten veel energie
3 Afkomstig van levende organismen en hun dode resten
4 Minimaal 2 C-atomen en veel H en O atomen
5 Glucose (centrale rol bij energievoorziening + opbouw organisme), eiwitten,
zetmeel, cellulose, vetzuur
De bindingen tussen koolstof- en waterstofatomen bevatten veel chemische
energie.
Anorganische stoffen:
1 Kleine, eenvoudig gebouwde moleculen
2 Komen voor in organismen en levenloze natuur
3 Kunnen heel verschillende atomen bevatten
4 Keukenzout, Ammoniak
3
, Assimilatie en Dissimilatie
- Enzymen zijn stoffen die chemische reacties in cellen mogelijk maken
Belangrijk bij assimilatie en dissimilatie
Assimilatie = is een reactie waarbij uit kleinere stoffen grotere stoffen worden
gemaakt.
- Altijd energie voor nodig (O2)
- Organische stoffen worden uit anorganische stoffen gemaakt
(maar ook kleine anorganische stoffen grote anorganische stoffen)
- Endotherme reactie
- Denk aan fotosynthese = lichtenergie wordt chemische energie in
glucosemoleculen.
(assembleren in elkaar zetten; kleine stoffen grote stoffen)
Energie in moleculen = chemische energie.
Dissimilatie = een reactie waarbij organische stoffen worden afgebroken. Hierbij
komt energie vrij.
- Verbranding
- Exotherme reactie
Chemische energie bewegingsenergie / warmte
Zenuwcellen: chemische energie elektrische energie (impulsgeleiding)
- Kan alleen worden opgeslagen als er andere organische stoffen mee worden
opgebouwd (vetten of eiwitten)
ATP
- Wordt gevormd uit de chemische energie uit glucose.
- Bevat 3 fosfaatgroepen
binding tussen 2e en 3e fosfaatgroep is energierijk.
- 3e fosfaatgroep afsplitsen ADP. Chemische energie komt vrij.
_____________________________________________________________
D3 Dissimilatie
Dissimilatie vindt altijd plaats in elke cel.
- Geen dissimilatie = celdood!
- Organisme meer energie gebruiken meer dissimilatie.
- De benodigde energie komt meestal uit glucose.
Glucose dissimileren
- Met zuurstof aeroob
- Zonder zuurstof anaeroob
- Ook in plantencellen dissimilatie kiemende erwtenzaden bijv
Anaerobe dissimilatie = gisting
- Ontstaan melkzuur in spieren of maken van yoghurt.
- Moleculen worden niet volledig afgebroken
- Eindproducten zijn energierijk.
- Er komt weinig energie vrij.
- Zonder zuurstof
4